Door: Marije Knevel
Ik zie de afkeurende blikken wel. Er was geen andere plek vrij en ik moest zitten. Tegen wil en dank belandde ik op deze stoel. De vrouw tegenover mij in de overvolle tram kijkt van mij naar de sticker bij mijn benen. 'Zitplek voor gehandicapte,' staat er. De blik snap ik ergens wel. Ik zie er niet uit als iemand die de plek nodig heeft. Maar ik blijf gewoon zitten.
Niet veel later kom ik aan op een event waar mensen gezellig staan te borrelen. Ik wil mij dolgraag ertussen mengen, maar staan lukt niet. 'Waarom blijf je zitten?' vraagt iemand met een schampere ondertoon. Als ik zeg dat ik niet zo goed kan staan, volgt een blik. Ik voel 'm nog steeds terwijl ik dit schrijf.
De afgelopen jaren heb ik zoveel pijn dat lopen en staan een dagtaak op zich zijn geworden. Ik moet mezelf de hele dag door vermannen (waarom eigenlijk niet vervrouwen, wij zijn toch veel taaier?) om erdoorheen te komen. Ik vertel dit niet om zielig gevonden te worden, maar omdat ik snap dat je het niet aan mij ziet. Op mijn socials ben ik een blij ei, want de pijn speelt al de hoofdrol in mijn offline leven.
Vroeger dacht ik dat pijn een kwestie van mentaliteit was. Pil erin, strik eromheen en door. 'Pijn is een emotie, die kan je uitzetten,' riep ik zelfs. Tot het bij mij niet meer ging. Het lastigste is niet eens de pijn zelf, maar de reacties als ik aangeef dat iets niet gaat. Mensen kunnen nogal aandringen als ik zeg dat iets echt niet lukt. Een grens aangeven vind ik al lastig genoeg.
Als iemand blijft duwen, voel ik mij in een hoek gedreven. Zo frustrerend. Om te bewijzen dat ik mij niet aanstel vertel ik dan veel te veel. En dan krijg ik: 'O, wat heftig, dat wist ik helemaal niet!' Precies. Dat was nou juist de bedoeling. Ik wil helemaal niet met iedereen delen wat ik heb. Je hoeft niet te weten wat iemand mankeert om te geloven dat iets niet lukt.
Ik heb zelf ook snel geoordeeld over anderen. Vroeger zag ik weleens een jong iemand op zo'n gereserveerde stoel zitten en dacht ik in stilte hetzelfde soort dingen als die vrouw in de tram nu over mij denkt. 'Is er wel iets mis met jou dat jij daar mag zitten?' Nu ben ik zelf die persoon geworden. Oordelen gebeurt in luttele seconden en het gaat vaak over dingen waar je geen idee van hebt. We kijken naar een lichaam en denken te weten wat het aankan. We kijken naar gedrag en denken te weten wat de reden is. Iemand die zegt dat iets niet lukt, doet niet hard genoeg zijn best. Iemand die afzegt, is onbetrouwbaar. Iemand die zich ziekmeldt, is een watje.
We zijn pas bereid ons oordeel aan te passen als alle feiten op tafel liggen en we zelf hebben kunnen bepalen dat de reden goed is. Die vrouw in de tram weet niet dat ik amper slaap, mezelf ’s ochtends door bergen pijn moet duwen om uit bed te komen en de vaatwasser uitruimen soms een opgave is.
Ik oordeel heus nog steeds, vaak zonder dat ik het doorheb. Maar ik ben veel milder geworden. Je kan niet zien waar iemand de hele dag mee worstelt: liefdesverdriet, migraine, donkere gedachten, endometriose of onverklaarbare pijn. Als iemand zegt dat iets niet lukt, probeer ik niet meer te bepalen of dat wel terecht is. Ik weet niet wat er speelt. En dat hoef ik ook niet te weten.
:quality(85))
:quality(85))