Laura werd gestalkt door haar moeder: ‘Ik was altijd bang dat ze ineens voor m’n neus zou staan’

Body & Mind

Laura werd gestalkt door haar moeder: ‘Ik was altijd bang dat ze ineens voor m’n neus zou staan’

Steffi Posthumus
Door

Steffi Posthumus

Gepubliceerd op

12 september 2022 20:00

Bron / Fotografie

fotografie Aisha Zeijpveld

Gepubliceerd op

12 september 2022 20:00

Bron / Fotografie

fotografie Aisha Zeijpveld

Laura Hindriks groeide op in een nogal onstuimig gezin. Toen ze na lang aandringen bij Jeugdzorg eindelijk uit huis werd geplaatst, begon haar moeder haar te stalken.

Laura (29): 'Op het oog kom ik uit een heel normaal, christelijk gezin. Ik heb twee jongere zusjes, mijn vader was vrachtwagenchauffeur en mijn moeder huisvrouw. Ik ben geboren in Gouda, twee jaar later –rond de geboorte van mijn middelste zusje – verhuisden we naar Waddinxveen. Daar begon het gerommel: mijn moeder bleek depressief. Dat was ze waarschijnlijk altijd al, maar na de geboorte van mijn ­zusje kwam het naar boven. En niet zo’n beetje ook. Ze kon het huishouden niet meer aan, lag dagenlang in bed en kreeg het met iedereen aan de stok.'

'Mijn vader was veel weg voor werk, maar als hij er wel was, hadden ze regelmatig schreeuwende ruzies. Ook binnen de rest van de familie ging het moeizaam. Mijn opa, de vader van mijn vader, was alcoholist. Zodra hij had gedronken, haalde hij uit naar mijn moeder. Wat hij precies zei weet ik niet meer, maar het kwam erop neer dat hij vond dat ze niet goed voor ons zorgde. Niet leuk, maar wel waar. Ze kon niet voor ons zorgen, was zwaar depressief en had een borderlinestoornis. Alles was haar te veel.'

Lees ook: Regine reanimeerde haar buurvrouw: ‘Iets later en ze was misschien wel dood geweest’

'Op een gegeven ­moment was het zo erg dat ze werd opgenomen bij De Hoop, een christelijke ggz-instelling in Zeist. In die tijd logeerden we óf bij de opa en oma van mijn moeders kant, óf bij vrienden van mijn vader. Bij die vrienden was het altijd heel fijn, bij mijn opa en oma wat meer gespannen. Mijn oma en moeder zijn mentaal uit hetzelfde hout gesneden, wat elkaar negatief versterkte. Achteraf denk ik: waarom bleef mijn vader zo veel werken? Ik ben nu zelf moeder en had denk ik andere keuzes gemaakt. Maar ik kan me ook voorstellen dat hij weg wilde van de situatie en de druk voelde van kostwinner zijn. Soms gingen we bij mijn moeder op bezoek in de instelling. Veel herinner ik me daar niet van, behalve dat er allemaal deurtjes en wachtkamers waren waar je elkaar dan even kon ontmoeten.'

Nieuwe start 'Zo ging het af en aan, tot ik een jaar of acht was. Mijn moeder was weer thuis en slikte medicijnen. We verhuisden naar Elim, een klein dorp in Drenthe. Het idee was om daar een nieuwe start te maken, maar het werd alleen maar erger. Mijn moeder kreeg om het minste of geringste ruzie met de buren: over de schuur, de tuin, van alles. Dat maakte de toch al onzekere, instabiele thuissituatie nog heftiger. Elke keer als ik uit school kwam, was het aftasten: hoe is de sfeer? Ligt mijn moeder op bed? Is ze in goede doen of op oorlogspad? Ook als de sfeer oké was, was ik op mijn hoede. Voor je het wist, kon het omslaan. Als het niet goed met haar ging, lag ze soms dagen huilend in bed of zat ze als bevroren voor zich uit te staren. Dus ging ik maar over tot het zorgen voor mijn zusjes: koken en het huishouden doen.'

'Na een jaar of drie zijn we toch weer verhuisd, dit keer naar Hoogeveen. Mijn vader stopte als vrachtwagenchauffeur en werd vertegenwoordiger, waardoor hij vaker thuis was. Rond die tijd zat ik groep 7 en begon ik steeds beter door te krijgen dat het bij andere kinderen thuis heel anders ging. Rustiger, stabiel. Naarmate ik mijn eigen identiteit ontwikkelde, gaf ik ook meer tegengas. Ik kreeg steeds vaker ruzie met mijn moeder. Ze ontkende mentaal ziek te zijn en beschuldigde me van van alles: dat ik niet goed genoeg was en meer moest h ­elpen in huis bijvoorbeeld.'

'Ondanks alles ging het op school wel oké. Met mij dan. Mijn zusjes hadden een leerachterstand, waardoor we na een tijdje gezinsbegeleiding kregen. Dat waren steeds verschillende mensen die mijn zusjes hielpen bij school en mijn moeder bij het huishouden. Fijn, want het haalde ook de scherpe randjes voor mij en mijn moeder eraf. Toen ik naar de middelbare school moest, brak er opnieuw een rotperiode aan. Ik moest van mijn moeder naar het Pieter Zandt, een streng reformatorische school in Staphorst. Ik vond het daar echt ­verschrikkelijk. Geluk bij een ongeluk was dat mijn vader voor zijn werk ergens anders heen moest, waardoor we wéér gingen verhuizen. Ik stapte over naar de school waar ik zelf al die tijd al heen wilde: het Greijdanus in Zwolle.'

Ben ik nou gek? 'Daar had ik het enorm naar mijn zin. Ik ontspande en kon met meer afstand naar de situatie kijken. In gesprekken met mijn leerlingbegeleider kwam ik tot de conclusie dat ik mijn thuissituatie dusdanig onprettig vond, dat ik uit huis wilde. Ik wilde zélf kiezen en niet meer de verantwoordelijkheid voor alles en iedereen voelen. ‘Dan moeten we daar een actie aan hangen,’ zei ze en maakte er melding van bij Jeugdzorg.'

'Mijn moeder was in alle staten. Onzin vond ze het. Volgens haar was zij niet de geesteszieke met een depressie, maar ik. Er waren tientallen gesprekken met mij, Jeugdzorg, mijn ouders en mijn leerlingbegeleider. Daarin zei mijn moeder telkens dat ik een moeilijke puber was, onhandelbaar, niets deed in huis en niet geloofde –zo’n beetje het ergste wat je kunt zeggen tegen een strenggelovige. Over zichzelf hield ze de schone schijn op. Daar was ze heel goed in: manipuleren en doen alsof. Hoe mijn vader ­hiermee omging, weet ik eerlijk gezegd niet meer. Ik kan me heel goed voorstellen dat je niet wil dat je kind uit huis wordt geplaatst, maar dat mijn moeder het verhaal omdraaide, deed me echt heel veel pijn.'

'Na maanden van gesprekken, kwam het oordeel: mijn verzoek tot uithuisplaatsing was af­gewezen. Mijn situatie was niet ernstig genoeg. De grond zakte onder mijn voeten vandaan. Ik dacht: ben ik nou gek? Hoe kon dit de conclusie zijn? Een plan B had ik niet. Ik wilde daar weg. Naar een pleeggezin of ergens anders heen. In plaats daarvan moest ik thuis blijven wonen, wat de situatie alleen maar erger maakte. Mijn moeder nam het me enorm kwalijk dat ik Jeugdzorg had benaderd. ‘Jij bent gek’, ‘Jij bent het probleem’, ‘Jij veroorzaakt alle ruzies’, zei ze steeds. Zo vaak, dat ik er zelf ook in ging geloven.'

'Ik werd steeds stiller en verlegener, en sloot me na school op op mijn kamer. Als ik überhaupt al naar huis ging, want ik verschool me ook vaak bij mijn vriendje. Voor mijn zusjes kon ik niet meer zorgen, mijn hoofd zat al vol met mijn eigen verdriet, pijn en somberheid. Ik kon alleen maar ­denken: wanneer stopt dit? Niet op een depressieve ik-wil-uit-het-leven-stappen-manier. Ik wilde gewoon weg uit mijn thuis­situatie. Een jaar later kwam die wens uit: nadat ik bezwaar had gemaakt, werd mijn uithuisplaatsing toch door Jeugdzorg toe­gekend. Waarom het nu opeens wel kon weet ik eerlijk gezegd niet meer. Alle gebeurtenissen in dat jaar zijn een beetje blurry. Misschien omdat ik ze tot op zekere hoogte geblokt heb.’

Een stap vooruit ‘Ik weet wel dat het opeens heel snel ging. Ik werd gebeld en niet veel later haalde iemand van de crisisopvang me op. Mijn moeder stond te tieren, maar de crisisbegeleider kwam al heel snel naast me staan en nam me mee. Aan de ene kant voelde mijn vertrek uit huis heel goed. Eindelijk gebeurde er wat aan de situatie. Ging ik een stap vooruit. Tegelijkertijd was het ontzettend beladen en voelde ik me gespannen: wat zou er gebeuren? Waar kom ik terecht? Het werd een ouder echtpaar, wiens kinderen al uit huis waren.'

Lees ook: Mareikes man zit in de gevangenis: 'Hij leek de ideale schoonzoon'

'In het begin was het heel ­onwennig: welke rol heb ik hier? Hoe moet ik ze noemen? Moet ik mijn eigen shampoo kopen of mag ik die van hen gebruiken? Maar na een tijdje verdween die onzekerheid. Het waren heel lieve mensen, het huis was rustig en veilig. Ik bloeide weer wat op. Mijn verlegenheid werd minder en ik trad meer naar buiten. Mijn ouders stuurden zo nu en dan brieven. Van mijn vader vond ik dat niet erg, die van mijn moeder wilde ik eigenlijk niet, maar dat durfde ik niet te zeggen. Ik was ook heel bang dat ze opeens langs zou komen. Achteraf hoorde ik dat dat ook een paar keer was gebeurd. Gelukkig heb ik daar toen maar weinig van meegekregen.'

Grenzeloos stalken 'Dat was heel anders toen ik een jaar later werd overgeplaatst naar een kamertraining-woongroep, een soort begeleid wonen voor jongeren. Door mijn leeftijd – ik was een jaar of zestien – was ik volgens Jeugdzorg te oud voor een permanente plek in een pleeggezin. In de periode van de kamertrainingen zochten mijn ouders steeds meer contact. Ze stuurden mails, brieven en belden veel. Mijn moeder zei dan dat ik het niet kon maken om haar, mijn zusjes en vader in de steek te laten. Dat het mijn verantwoordelijkheid was om er voor hen te zijn. Dat ze zo goed voor mij waren geweest en mij hebben grootgebracht. ‘Zo ga je niet met familie om.’ Ze speelde enorm in op mijn geweten en beriep zich op onze bloedband.'

'Hoe veilig ik me dankzij de begeleiders van de kamertraining ook voelde, door die continue communicatiestroom wist mijn moeder nog goed grip te houden op mijn mentale staat van zijn. Ook dit moet stoppen, dacht ik. Niet per se voor altijd, maar wel voor even. Zodat ik in elk geval mijn examens goed in kon gaan. De hulpverleners spraken met mijn ouders af dat ze tijdelijk geen contact meer met me mochten hebben.'

'Het tegenovergestelde gebeurde. De brieven en telefoontjes werden alleen maar meer, ze zochten contact via mijn dominee, in de hoop mij te spreken en iets over me te weten te komen, stonden voor de deur van de kamertraining én mijn bijbaan. Mijn begeleiders deden hun best ze af te wimpelen, maar wisten zich er op een gegeven moment ook geen raad meer mee. Het ging maar door. Het was vooral mijn moeder, maar mijn vader deed ook mee. Ze konden niet accepteren dat ik rust nodig had om een volgende stap te zetten. Op een gegeven moment heb ik zelfs geprobeerd aangifte te doen. Zinloos: je kunt namelijk geen aangifte doen tegen je ouders. Bizar, maar waar.'

'Op mijn zeventiende ging ik op kamers. Mijn ouders stalkten me nog steeds, dus ik deed er alles aan om te zorgen dat mijn adres onvindbaar was. Toch was ik altijd bang dat ze ineens voor m’n neus zouden staan. Dat gebeurde ook: bij de bakker waar ik werkte.'

Wat er toen gebeurde? Lees het hele verhaal in &C's editie 9

6 ,95

delen
Steffi Posthumus

Steffi Posthumus (1988) is – naast Editor Premium Content bij &C – een vroege vogel, maar wel een met een ochtendhumeur. Ze woont in een kleurrijk Amsterdams paleis met kat Prins én giga discobal, probeert al twee jaar lang Turks te leren (met matig succes) en eet 't liefst alles met een goede lik sambal.

Meer van deze auteur

Wil je ook lezen