Door: &C Redactie
Paula Peters-Mast verloor haar twintigjarige zoon Gijs vorig jaar aan zelfdoding. Pas na zijn overlijden kwam ze erachter hoe slecht het mentaal met hem ging. Nu wil ze het taboe rond mentale problemen en suïcide helpen doorbreken.
Denk je aan zelfdoding? Neem contact op met Stichting 113 Zelfmoordpreventie. Bel 113 of 0800-0113 (gratis) of chat anoniem op de website via 113.nl. Stichting 113 Zelfmoordpreventie is 24 uur per dag bereikbaar, 7 dagen per week.
Paula (50): ‘Voor kerst 2024 gaf ik Gijs een fotoboek van zijn eerste twintig jaar. Babyfoto’s, Gijs met een lawaaigitaartje, tijdens jeugdtheater, als trauma-acteur bij oefeningen en vakantiefoto’s met zijn oudere broer Bram, hun vader en ik. Zijn passie voor parachutespringen komt er ook in terug: op zijn negentiende werd hij al tandeminstructeur. In de vier jaar dat hij skydiver was, maakte hij meer dan duizend sprongen. Hij werd gelukkig van het gevoel van een vrije val, van de adrenaline en de vrijheid in de lucht. Dat het bij twintig jaar zou blijven, had ik niet kunnen bedenken toen ik aan het fotoboek begon. Afgelopen 9 juni was het zijn eerste sterfdag.
Gijs was een sociaal jongetje. Hij zong en danste altijd, hield van gekkigheid en kon ondeugend zijn: tijdens de sinterklaasintocht pakte hij eens de pepernotentas af. Maar toen hij opgroeide, merkte ik al snel dat hij ook gevoelig en onzeker was. Zijn kleuterjuf vermoedde faalangst, want hij stak zijn vinger niet op als hij het antwoord op een vraag wist. Wat als hij het toch fout had en andere kinderen hem zouden uitlachen? Achteraf denk ik dat hij hoogsensitief was. Van jongs af aan was Gijs ook enorm streng voor zichzelf. Als hij thuiskwam met een tekening en we zeiden hoe mooi we die vonden, geloofde hij ons niet. Voor hem was goed niet goed genoeg.’
Zelfbeeld
‘Dat Gijs op jongens viel, vermoedde ik al toen hij nog een klein jochie was. Toen hij elf was, kwam hij uit de kast. Voor ons was het helemaal geen issue. Mijn ex-man en ik hebben wel tegen elkaar gezegd dat het leven soms moeilijker kan zijn voor iemand die homo is. We hoopten dat Gijs daar niet mee geconfronteerd zou worden.
Op de middelbare school leek het goed te gaan met Gijs. Hij was sociaal, lag goed in de klas en ook docenten waren stapelgek op hem. Hij zat in de leerlingenraad en organiseerde culturele avonden, die hij samen met een vriendin presenteerde. Ik dacht altijd dat iedereen met hem wegliep. Pas na zijn dood kwam ik erachter dat hij op de havo ook is gepest vanwege zijn geaardheid. Mij heeft hij daarover nooit verteld, maar een paar vrienden later wel. Hoe vaak en hoe ernstig hij is gepest, weten we niet. Misschien zei maar één persoon soms iets lelijks tegen hem. Maar bij Gijs kwamen negatieve opmerkingen ontzettend hard binnen. Ik denk dat het zijn zelfbeeld heeft aangetast.
Waar Gijs in de brugklas nog heel open was over het feit dat hij op jongens viel, werd hij daar later op nieuwe plekken steeds terughoudender in. Bij het skydiven, waar hij kind aan huis was, wist bijvoorbeeld bijna niemand dat. Pas na zijn dood hoorde ik van vrienden waarom: hij was bang om opnieuw gepest te worden.
Gijs raakte jong geïnteresseerd in medische hulpverlening, omdat hij me hielp bij de EHBO-trainingen die ik geef. Militairen die hij via het skydiven kende, vroeg hij het hemd van het lijf over hun werk. Mede daardoor wilde hij militair verpleegkundige bij Defensie worden. Gijs was negentien toen hij in de zomer van 2024 aan zijn tienweekse basisopleiding bij de Koninklijke Landmacht begon. Ook daar vond hij het doodeng om voor zijn geaardheid uit te komen. Tijdens de basisopleiding heeft hij zijn groep wel verteld dat hij op jongens viel, hoorde ik na zijn dood, maar vooraf kwam hij huilend naar een van zijn instructeurs toe omdat hij er zo tegenop zag. Toen iedereen bij elkaar zat, vertelde Gijs zijn groepsgenoten dat hij anders was, omdat hij gay was. Ze reageerden heel goed: ‘Je bent gewoon Gijs, dit verandert voor ons helemaal niets.’
Bij Defensie was hij erg gedreven. Van zijn leidinggevende begreep ik na zijn dood dat hij bijna wekelijks aan haar bureau stond, omdat hij sneller vooruit wilde dan bij zijn rang paste. Dat Gijs intussen mentaal steeds verder in de knoop raakte, had niemand door. Aan de buitenkant was hij die ondernemende jongen met een lach op zijn gezicht. Pas later begreep ik hoe goed hij erin was geworden om een masker te dragen.’
Donkere gedachten
‘Doordeweeks zat Gijs intern op de kazerne in Ermelo en in de weekenden werkte hij vaak bij het skydiven, dus hij was weinig thuis. Maar als hij ergens mee zat, belde hij me. Een paar weken voor zijn dood merkte ik dat Gijs anders deed. In april was hij met Defensie in Duitsland geweest voor zijn eerste grote militaire oefening, waarbij een 21-jarige militair ’s nachts om het leven kwam bij een ongeval. De volgende ochtend kregen Gijs en de andere militairen dat tijdens het appel te horen. Het hakte er enorm in bij hem. Daarna was hij vaak nukkig als hij thuiskwam. Als ik naar zijn werk vroeg, kapte hij het gesprek af of zei hij: ‘Ik wil er niet over praten.’ Dat was nieuw. ‘Het lijkt alsof hij weer aan het puberen is,’ zei ik tegen mijn man Theo.
In het weekend voor mijn verjaardag kwam Gijs naar huis. Vrijdagavond zat hij nog gezellig bij de visite, daarna trok hij zich terug op zijn kamer. Hij kwam niet naar beneden om te eten en lag vrijwel het hele weekend in bed. Ik ging naar boven, maar hij wilde niet praten. Toen hij op zondagochtend al meer dan 36 uur nauwelijks uit bed was geweest, maakte ik me zorgen. Ik probeerde opnieuw met hem te praten en zei dat hij me alles kon vertellen, maar hij draaide zijn rug naar me toe. Ik ging huilend zijn kamer uit.
Even later appte ik hem dat mijn moeder die middag zou komen en dat ik hoopte dat hij naar beneden zou komen. Binnen tien minuten stond hij aangekleed beneden. Hij pakte zijn tas en zei dat hij wegging. Zelfs toen ik hem om een knuffel vroeg, zei hij nee. Raar, want Gijs ging nooit weg zonder een knuffel. Ik liep nog achter hem aan, maar hij stapte in zijn auto en reed weg.
De volgende dag was ik jarig. Ik hoorde niets van Gijs. Geen telefoontje, geen berichtje, zelfs geen felicitatie in onze familie-app. Dat paste niet bij hem. Ik ging allerlei verklaringen af: misschien was hij ziek of had hij spijt van zijn keuze voor Defensie? Een paar dagen later zag ik op Instagram een vrolijk filmpje van hem, gemaakt tijdens een skydive-evenement. Mijn kind is weer blij, dacht ik opgelucht. Toen ik hem appte hoe fijn ik dat vond en dat ik hoopte hem thuis ook zo te zien, reageerde hij alleen met: ‘Pfff.’
Dat schoot bij mij in het verkeerde keelgat. Boos en verdrietig stuurde ik hem een spraakbericht: ‘Waarom is alles wat ik zeg verkeerd?’ Dat brak iets open. We hebben uren geappt. Voor het eerst vertelde Gijs dat het sinds die militaire oefening mentaal niet goed met hem ging. Wat er precies speelde, wilde hij niet zeggen. Hij zei alleen: ‘Ik kan hier niet met jou over praten.’ Dat vond ik moeilijk, want ik dacht altijd dat wij alles met elkaar deelden. Achteraf weet ik dat dat niet zo was. Ook over het pesten en zijn moeite met zijn geaardheid had hij niets verteld.
Gelukkig was Gijs al naar de kazerne-arts geweest, die hem doorverwees naar de militaire geestelijke gezondheidszorg. Er was een wachtlijst van vijf maanden. Ik vermoed dat Gijs tegen de arts en praktijkondersteuner niets heeft gezegd over zijn suïcidale gedachten. Na zijn overlijden hoorden we van een kennis van Gijs dat hij haar al anderhalf jaar eerder had verteld dat hij met donkere gedachten rondliep.’
Laatste knuffel
‘Een paar weken na die zondag waarop Gijs zonder knuffel van huis vertrok, moest ik voor een cursus in Barneveld zijn, in de buurt van Ermelo. Ik stelde voor om samen te eten en zei dat hij nergens over hoefde te praten als hij dat niet wilde. Hij twijfelde. Mijn belangstelling voor zijn leven ervoer hij in die periode soms als bemoeizucht, hoorde ik later van zijn defensievrienden Bram en Ryan. Zij haalden hem over om toch te gaan. Daar ben ik ze nog altijd dankbaar voor.
Die avond voelde het contact wat stroef. Het was minder ongedwongen, met minder grapjes en geouwehoer. Normaal maakte ik tijdens een etentje altijd een foto van Gijs. Nu deed ik dat niet, om hem niet chagrijnig te maken. Ik vind het heel jammer dat ik geen laatste foto van hem heb, maar misschien had ik de sfeer daarmee verpest. Toen Gijs me na het eten bij mijn auto afzette, kreeg ik wel een knuffel. Ik weet nog precies hoe hij daarna naar zijn auto liep en wegreed. Het was de laatste keer dat ik hem zag.
Tijdens het Pinksterweekend zou Gijs werken bij het skydivecentrum in Hoogeveen. Hij hoopte dat het vanwege het slechte weer niet zou doorgaan, zei hij tegen een collega-skydiver. Vreemd, want hij leefde daarvoor. Toen het inderdaad werd afgelast, ging Gijs met vrienden eten en bowlen in Utrecht, waar ze ook zouden blijven slapen. Hij had het naar zijn zin en gooide de ene na de andere strike. Rond middernacht sloeg zijn stemming om en vertrok hij naar de kazerne. Daar wilde hij per se overnachten.
Later die nacht appte hij uren met Bram, zijn vriend van Defensie. Met andere vrienden van Defensie zouden ze naar de Pride Utrecht gaan, maar hij wilde niet mee: hij vond het doodeng. Hij accepteerde zijn geaardheid niet, en op de Pride zou hij daarmee worden geconfronteerd. Hij wilde dat hij normaal was, schreef hij, dat hij een vriendin had en van voetbal hield. Ook zei hij dat hij verschrikkelijk moe was en dat het voor hem allemaal niet meer zo hoefde. Bram vond dat niet direct alarmerend. Iedereen die niet lekker in zijn vel zit, kan zoiets weleens zeggen, dacht hij. Hij reageerde begripvol en dacht geen seconde dat Gijs zichzelf iets zou aandoen.’
Afwachten
‘Op de maandag na dat weekend appte Gijs’ vriend Bram me: of ik iets van hem had gehoord. Sinds zaterdagmiddag had Gijs niet meer op mijn appjes gereageerd, maar dat vond ik niet gek. Hij was niet scheutig met appen. Toen Bram zei dat hij zich zorgen maakte, kreeg ik een naar gevoel. Bram reed naar de kazerne om hem te zoeken en appte een uur later dat Gijs’ auto daar stond. Gek genoeg stelde het me enigszins gerust dat hij op de kazerne was. Alsof hij daar veilig was. Ik belde Gijs, maar hij nam niet op. Toen kreeg ik een knoop in mijn maag. Ik vroeg Bram om me alsjeblieft op de hoogte te houden. Bram las mijn berichtje, maar daarna bleef het stil. Ik kon niets anders doen dan afwachten.
Aan het eind van de middag stond ik thuis in de keuken toen Theo zei dat er iemand aan de deur stond. Het was een vreemde man, die vroeg of ik de moeder van Gijs was. Ik wist het meteen. ‘Gijs is dood,’ zei ik. Toen ik vroeg hoe hij was overleden, vertelde de man dat het vermoedelijk om zelfdoding ging en dat de marechaussee onderzoek deed. Ik wilde meteen weg, naar mijn kind. Maar vanwege het onderzoek werd zijn lichaam nog niet vrijgegeven. Pas 25 uur later kon ik bij hem zijn. Die uren waren de moeilijkste van mijn leven. Andere mensen waren met mijn kind bezig, terwijl ik bij hem wilde zijn. Toen ik Gijs eindelijk zag, kreeg ik de indruk dat hij heel vastbesloten moet zijn geweest. Die wetenschap geeft me rust. Zijn vrienden hadden zijn defensietenue meegenomen en ik hielp hem aankleden. Dit was het laatste wat ik voor hem kon doen.
Die avond kwamen we met Gijs’ vader, zijn broer en vrienden bij ons thuis samen. Bram vertelde hoe hij Gijs had gevonden en liet de berichten lezen die ze in zijn laatste nacht hadden uitgewisseld. Bram bevestigde wat ik al vermoedde, maar wat Gijs nog niet had verteld: ze hadden een relatie. Hoe verdrietig ik het ook vind dat hij het niet met mij heeft kunnen delen, ik ben ontzettend dankbaar dat hij die liefde heeft gekend. Bram is altijd naast hem blijven staan, ook op momenten dat Gijs niet zo’n heel gezellig persoon was.’
Durven doorvragen
‘In de dagen na zijn dood merkte ik hoeveel mensen Gijs in zijn korte leven om zich heen had verzameld en hoeveel hij voor hen betekende. We verwachtten veel mensen op zijn afscheid, dat we daarom hielden in de Stadskerk Emmen. Alle achthonderd stoelen waren bezet; er moesten zelfs mensen staan. Gijs kreeg een afscheid met beperkt militair ceremonieel. Militairen droegen zijn kist, met daarover de Nederlandse vlag, en aan weerszijden van het podium hingen parachutes. Ik heb gesproken. Dat wilde ik heel graag, om iedereen te vertellen wie Gijs voor mij was.
Na zijn dood kwam ik erachter wat Gijs voor zichzelf had gehouden. Zo had hij volgens zijn vrienden vaak gezegd dat hij moe was. Zij dachten aan fysieke vermoeidheid door zijn werk bij Defensie, maar achteraf denk ik dat hij vooral mentaal moe was. Ook maakte hij soms grapjes over de dood. Toen hij met vrienden van Defensie in een truck een spoor passeerde, zei hij bijvoorbeeld: ‘Zet hem maar stil op het spoor. Laat ze ons maar doodrijden.’ Daarna lachte hij erom. Niemand vroeg of hij aan zelfdoding dacht, uit angst hem daarmee op ideeën te brengen
Inmiddels weten we dat vragen naar suïcidale gedachten iemand niet op het idee brengt. Als iemand die gedachten al heeft, kun je juist iets openbreken door er rechtstreeks naar te vragen. Daarom vind ik het heel belangrijk dat we over zelfdoding en mentale gezondheid praten.
Zijn vriend Bram organiseerde met anderen van Defensie ‘De 135 van Gijs’, een mars van 135 kilometer van Emmen naar Harlingen. Diezelfde route had Gijs in 2019 gefietst om geld in te zamelen voor een scoutingreis. Zijn vrienden haalden zo geld op voor 113 Zelfmoordpreventie. Voor hen was het ook een manier om Gijs’ naam levend te houden. Ik hoop dat zijn verhaal ervoor zorgt dat we opener durven te zijn over onze mentale gezondheid. Dat we elkaar écht zien en doorvragen als we vragen hoe het gaat, in plaats van genoegen te nemen met het standaardantwoord ‘goed’. Dan is Gijs’ dood niet voor niets geweest.’
In een droom
‘Vaak voel ik heimwee. Dat knagende gevoel in mijn borstkas is er bijna elke dag. Soms overvalt het me zo dat ik naar Gijs’ kamer ga en aan zijn kleding ruik. Dan laat ik het verdriet komen en huil ik vanuit mijn tenen. Het verdriet gaat in golven: soms kabbelt het rustig en soms komt er een tsunami over me heen. Maar ik wil ook leven. Ik heb nog een zoon, Theo heeft drie zoons en samen hebben we zes kleinkinderen. Ik wil nieuwe herinneringen blijven maken. Gijs reist daarbij mee in mijn hart.
Zijn dood heeft mijn leven een andere richting gegeven. Mijn werk als proefdierverzorger, dat ik met veel passie deed, voelde ineens niet meer goed. Toen ik naar aanleiding van Gijs’ uitvaart ontdekte dat uitvaartspreker een beroep is, voelde ik: dit past bij mij. Inmiddels vertel ik als uitvaartspreker de levensverhalen van overledenen. Ook maak ik troostknuffels van kleding van dierbaren. Ik heb het gevoel dat Gijs me hierin heeft gestuurd. Kort nadat ik besloot mijn baan op te zeggen en mijn bedrijf te beginnen, kwam Gijs voorbij in een droom. Hij kwam met zijn parachute op me af en ik zei: ‘Gijs, ik ga springen.’ Hij begon te huilen en omhelsde me. Voor mij stond die sprong symbool voor mijn nieuwe leven. Het voelde als een bevestiging van Gijs: doen mama, doen.
Mensen hebben het vaak over rouw verwerken of het een plekje geven. Zo voelt het voor mij niet. Afval verwerk je, meubels geef je een plekje. Het verdriet blijft, omdat de liefde voor Gijs blijft. De rouw wordt niet kleiner, mijn leven eromheen wordt groter.’
Dit artikel staat in &C's novembernummer, dat nog een paar dagen in de winkels ligt.
:quality(80))
:quality(80))
:quality(80))
:quality(80))
:quality(80))
:quality(80))