Door: Ismay Gijsen
Het had met Betty Loha net zo kunnen aflopen als met het Vlaardingse meisje. Samen met haar tweelingzus Tizita groeide ze op in een adoptiegezin vol manipulatie en geweld. Nu vertelt ze haar verhaal, in de hoop anderen te helpen.
Betty (30): ‘Als de buitenwereld naar ons keek, zag die het perfecte gezin. We woonden op een groot erf in een klein, christelijk dorp, samen met vier pleegkinderen. We hadden allemaal een andere afkomst, dus het was een bonte verzameling aan culturen bij ons thuis. In de wei graasden twee paarden, buiten renden honden en er liep zelfs een schaap. In de tuin stond een grote trampoline, een moestuin vol zelfgekweekte groenten en een caravan. Mijn vader werkte als vrachtwagenchauffeur. Mijn moeder was afgekeurd omdat ze slecht ter been is, maar in het dorp stond ze bekend als behulpzaam. Ze bakte koekjes voor school en meldde zich als eerste aan als hulpouder bij de kerstviering. Wanneer er hulpverleners op bezoek kwamen, bakten we met z’n allen een taart en zwaaiden we hen gezamenlijk uit. Niemand twijfelde eraan dat wij het goed hadden.
Maar zodra de voordeur dichtviel, veranderde de lucht in huis. Dan voelde ik het al in mijn buik: hoe gaat het met mama vandaag? Mijn zus Tizita en ik stonden iedere ochtend op met diezelfde vraag. Haar stemming kon binnen een seconde omslaan. Meestal begon ze de dag boos, en als zij boos was, wist je dat je moest verdwijnen. Of juist lief moest zijn. Ik probeerde vaak het laatste. Dan zei ik hoe mooi ze was, hoeveel ik van haar hield. Ik hoopte dat als ik het maar vaak genoeg zei, het rustig bleef.
Mijn zus en ik werden op tweejarige leeftijd geadopteerd door een Brabants echtpaar. Ons werd verteld dat onze biologische moeder kort na onze geboorte was overleden en dat onze vader de zorg niet aankon. Mijn adoptiemoeder had een zoon met wie ze gebrouilleerd was en omdat het met haar nieuwe partner niet lukte zwanger te worden, koos ze voor adoptie. In het dorp pronkte ze met ons. ‘Ik heb ze gered uit hun land,’ zei ze trots als we op zondag naar de kerk gingen.
Die trots was voor de buitenwereld. Binnen golden andere regels. Wat mensen niet zagen, was dat wij thuis het mikpunt waren van racistische opmerkingen. Ik werd nooit bij mijn voornaam genoemd. Het was altijd ‘vreetvarken’, ‘vuile stronthoop’ of ‘diklip’. Op videobeelden van onze eerste ontmoeting hoor je mijn adoptieouders zeggen: ‘Die bolle is een baasje hoor, maar dat gaan we wel veranderen.’’
Knipoog van vader
‘Ik was een energiek, vrolijk kind en probeerde alles te camoufleren met een grote lach, maar de sfeer thuis was kil. Mijn vader werd met de jaren harder, maar toen ik jong was, vond ik hem lief. Soms maakte hij een grapje aan tafel of gaf hij me een knipoog. Het waren kleine gebaren, waar ik mij aan vastklampte. Vanaf mijn zesde kreeg ik een pleegbroertje en -zusje, in de daaropvolgende jaren kwamen er nog twee pleegkinderen bij. Ik was dolblij. Hoe meer broers en zussen, hoe gezelliger, dacht ik. Ik wist toen nog niet dat de sfeer nog grimmiger zou worden en dat mijn adoptieouders ons ook fysiek zouden mishandelen. Mijn adoptiemoeder kon niet omgaan met zoveel kinderen in huis. Straffen werden een dagelijks ritueel. Zodra wij naar school waren, inspecteerde ze onze kamers. Lag er een kruimel onder je bed? Stond je fiets niet recht? Had ze je te hard horen plassen? Dan werd ’s avonds aan tafel je straf aangekondigd.
Vaak betekende dat: van vrijdag tot zondag om zeven uur naar bed. Je mocht dan niet eten, drinken of naar de wc. Vooral in de zomer waren die avonden eindeloos. Ik verging van de dorst en lag uren wakker, volledig gefocust op mijn blaas. Mijn hele lichaam stond strak van de spanning. Als je ’s nachts toch opstond om te plassen, kreeg je er een extra weekend straf bij. Ik hield zielsveel van mijn broers en zussen, maar de onderlinge dynamiek was ongezond. We werden tegen elkaar uitgespeeld. Zo kregen we nooit iets lekkers, maar als iemand straf had, kregen de anderen een schaaltje chips. Aan tafel probeerden we daarom de schuld bij iemand anders te leggen. Op die manier probeerde je er het beste van te maken.’
De eerste barstjes
‘Op school deed ik alsof alles normaal was, ik wist ook niet beter. Vrije tijd bestond niet. Thuis wachtten er altijd taken. Als ik ’s middags thuis was, moest ik bijvoorbeeld het erf schoonmaken met een stanleymes. Mijn sociale kring was ook klein, omdat mijn adoptiemoeder bepaalde met wie ik mocht omgaan. Haar regels waren streng: had een vriendinnetje niet netjes bedankt voor het spelen? Dan was ze niet meer welkom bij ons. Ik wilde niemand verliezen en sprak daarom zo min mogelijk bij ons thuis af. Bij iemand anders spelen, kon ook problemen opleveren. Toen ik bij een vriendin had gegeten en thuis vertelde dat ik het lekker vond, kreeg ik drie dagen alleen maar vla. ‘Als het eten zo goed is, blijf je toch lekker daar?’ zei mijn adoptiemoeder. Ik begon voortdurend af te wegen: is dit de discussie waard? Meestal was het antwoord nee.
Het duurde jaren voordat ik besefte dat wat er bij ons thuis gebeurde, niet normaal was. Sterker nog: ik dacht dat ik het probleem was. Ik had een tweede kans in het leven gekregen en verpestte die. De straffen die mijn broers en zussen kregen, vond ik logisch. Als iemand zijn eigen braaksel moest opeten, omdat mijn adoptiemoeder het eten zo ruw naar binnen had gepropt, dacht ik: als je gewoon door had gegeten, had mama dit niet hoeven doen. We waren gedrild, compleet gehersenspoeld. Toen ik negen was, kreeg ik door dat er echt iets mis was met mijn adoptiemoeder. Ze vond ons kroeshaar lastig en dreigde om het af te scheren. ‘Niet bang zijn, dat gaat ze echt niet doen hoor,’ fluisterde ik naar Tizita. We hadden vlechten tot aan onze billen, mensen in het dorp zouden raar opkijken als we ineens kaal waren. Toch zette ze de tondeuse in ons haar, ik hoor het zoemende geluid nog. Met elke lok die op de grond viel, verdween een stukje trots en zelfvertrouwen. Mijn zusje huilde van verdriet, mijn adoptiemoeder huilde van het lachen.’
Goede tijden, slechte tijden
‘Mijn lichtpuntjes waren school en de gezinnen waar ik vanaf mijn dertiende oppaste. Daar mocht ik ’s avonds Goede tijden, slechte tijden kijken en met mijn oppaskinderen spelen. Het was fantastisch, zo warm kon een gezin dus zijn dacht ik. Maar dat was van korte duur. Op een dag werd ik misbruikt in een van de gezinnen. Ik durfde het aan niemand te vertellen, keerde naar binnen, werd depressief en zelfs suïcidaal. Toen mijn adoptieouders op een dag hoorden dat ik niet meer wilde leven, werd ik gestraft. Mijn adoptiemoeder drukte een bijl in mijn handen. De andere kinderen moesten om me heen staan en me aanmoedigen. Ik werd licht in mijn hoofd en zag ondertussen mijn tweelingzus bijna flauwvallen van de stress. Huilend liet ik de bijl vallen en bood ik mijn excuus aan. Alsof ik degene was die iets verkeerds had gedaan.
Om hulp durfde ik niet te vragen. Ik had geleerd dat eerlijk zijn gevaarlijk was. In groep acht heb ik een keer via school een formulier van de GGD ingevuld waarop ik aangaf dat ik me thuis onveilig voelde. Toen mijn moeder de brief vond, sleurde mijn vader me aan mijn enkels de trap af. Ik probeerde het ook een keer op een andere manier. Tijdens de playbackshow in het dorp zong ik Lonely van Akon. Ik fantaseerde dat na afloop het doek zou vallen en iedereen zou vragen wat er écht speelde. De teleurstelling gierde door mijn lijf toen dat niet gebeurde. Het jaar erop zong ik Listen van Beyoncé, maar niemand hoorde mijn noodkreet. Als ik wilde overleven, moest ik zelf in beweging komen.’
Gevlucht uit huis
‘Ik was zestien toen ik vluchtte. Mijn ouders lieten regelmatig vallen dat ze spijt hadden van de adoptie, maar op een dag dreigden ze met een familiedrama. Ze wilden het huis in brand steken of ons met een blok cement aan onze benen in de Waal gooien. Ik geloofde dat ze daartoe in staat waren en kon alleen maar denken: we moeten hier weg, anders wordt het onze dood. Ik nam contact op met de biologische zoon van mijn adoptiemoeder, omdat ik bij hem regelmatig oppaste. Daarna belde ik Irma, haar beste vriendin. Dat klinkt misschien vreemd, maar omdat zij ver weg woonde, voelde het veilig. Beiden namen me serieus en luisterden. Dat was voor het eerst dat mensen écht begrepen wat er aan de hand was.
Irma zei dat ze nooit had begrepen waarom mijn moeder aan kinderen was begonnen. Ze haatte kinderen. Ze bood ons aan om naar haar toe te komen. ‘Ik heb ruimte voor jou en je zus, maar je moet de stap zelf zetten,’ zei ze. ‘Anders is het ontvoering omdat je minderjarig bent.’ Mijn zus en ik waren er klaar voor, maar kort na ons belletje overleed Irma onverwachts aan een hartstilstand. Opnieuw viel de grond onder me weg. Toch was blijven geen optie meer. Irma’s dochter Patricia wist van de situatie en bood mij en Tizita aan om naar haar te komen. Ik vond het vreselijk om mijn broers en zussen achter te laten, maar ik geloofde dat iedereen uit huis geplaatst zou worden zodra ik mijn verhaal deed.
Tizita durfde niet mee te vluchten naar Patricia, maar besloot twee dagen later wel mee te gaan naar Jeugdzorg. We zouden een melding maken, zodat ook de andere kinderen uit huis werden geplaatst. In mijn hoofd herhaalde ik: ‘Dit keer wordt het anders. Nu komt alles goed.’ Maar helaas werden we niet serieus genomen. ‘Zestienjarigen zien sommige dingen anders, die puberen nou eenmaal,’ zeiden ze. Ik voelde me compleet uit het veld geslagen, trilde over mijn hele lichaam. Na het gesprek besloot Tizita om ook weg te gaan. Ik was verdrietig dat ik de anderen niet kon redden en boos dat mijn verhaal niet geloofd werd. Ik dacht dat het systeem er was om ons te beschermen, maar niemand greep in.’
Voor het eerst veilig
‘Na mijn ontsnapping begon mijn leven langzaam te kantelen. Toen ik bij een kinderpsycholoog kwam, voelde ik me voor het eerst veilig genoeg om alles te vertellen. Niet alleen over de mishandelingen, maar ook over het misbruik. Ik woonde een tijd bij Patricia en kreeg op een gegeven moment een fijn huurappartement toegewezen. Ik werkte in de zorg, haalde diploma’s, maar ik bleef worstelen met een leegte. Tot ik eind twintig was en begon te schrijven. Ik schreef mijn boek Mam, ik kan niet meer, maakte een theatershow en geef gastlessen over kindermishandeling. Dat doe ik voor mbo-studenten, maar ook bij de politie en jeugdzorginstanties. Zo benaderde de pleegzorgorganisatie die betrokken was bij het Vlaardingse meisje mij ook.
Omstanders hebben nooit ingegrepen. Er waren signalen, maar niemand wilde ze zien. Tizita en ik werden binnen twee weken van voetbal afgehaald omdat we te laat thuis waren. Onze trainer ging mee naar huis en zei dat wij er niets aan konden doen, maar mijn adoptiemoeder was onverbiddelijk. Ze had ook een periode dat ze ons ondergoed in de wasmand controleerde. Als je een remspoor had of was doorgelekt, hing ze het op aan de poort, zichtbaar voor iedereen. Mensen zagen ook ons geschoren haar, het enorme ei op het hoofd van mijn zusje nadat er een pot pindakaas naar haar hoofd was gegooid en mijn bovenlip, die altijd kapot was omdat mijn moeder tegen mijn kin aansloeg als mijn mond open hing. Tijdens mijn boekpresentatie zat het halve dorp binnen en mijn oude lerares kwam naar mijn theatershow. Sommige mensen boden hun excuus aan, ze schaamden zich omdat ze het nooit hadden gezien. Van mijn adoptieouders en de pleegkinderen over wie ze de voogdij hadden, heb ik nooit meer iets gehoord.’
Toekomst
‘Weggaan betekende niet dat alles voorbij was. De gevolgen van mijn opvoeding draag ik nog steeds. Hoor ik iemand met een kruk lopen? Dan voel ik een vlaag van paniek en schiet er voor een seconde door mijn hoofd dat mijn adoptiemoeder eraan komt. Ik heb nog steeds nachtmerries waarin mijn adoptieouders me zoeken. Mijn trauma komt in veel patronen terug: bewijsdrang, bindings- en verlatingsangst. Ik vond het jarenlang lastig om relaties aan te gaan en had altijd het idee dat ik me moest bewijzen. Tegelijkertijd ben ik ontzettend trots dat ik mijn verleden heb kunnen ombuigen naar iets positiefs. Ik geef voorlichtingen, draag sinds kort mijn eigen achternaam, de band met mijn tweelingzus is sterker dan ooit en ik heb weer contact met mijn biologische vader. Op een dag kreeg ik tot mijn grote verrassing een berichtje op Facebook. Kennelijk had ik een broer. Hij was zijn tweelingzussen kwijt en naar ons op zoek. Uiteindelijk ben ik naar Ethiopië gevlogen om mijn familie te ontmoeten. Ik had geen herinneringen aan mijn geboorteland, maar het voelde gek genoeg als thuiskomen. Toen mijn vader en ik elkaar zagen, huilde hij van geluk. Ik zag het verdriet in zijn ogen, maar ook zijn ongelooflijke positiviteit. Als we samen zijn, lachen en dansen we de hele dag.
Het bleek dat mijn moeder was overleden na de geboorte en dat we twee jaar in het ziekenhuis waren gehouden vanwege virussen. Onze familie mocht ons twee keer per week bezoeken, maar van de ene op de andere dag waren we weg. Verkocht aan een adoptieorganisatie in Nederland. Mijn vader heb ik niet verteld wat ons is overkomen. Hij heeft al genoeg verdriet moeten dragen.
Ik kijk positief naar de toekomst. Ik heb momenteel een fijne relatie en droom van een eigen gezin. In het begin vond ik het moeilijk om daarover na te denken. Kan ik wel een goede moeder zijn? Wat als ik intergenerationeel trauma overdraag? Inmiddels durf ik te vertrouwen dat ik een goede partner en moeder ben. Ik ga niets doorgeven, juist omdat ik beter weet. Ik voel dat ik de veerkracht van mijn biologische ouders heb. Kracht zit in de Loha-familie.’
Denk je aan zelfdoding? Neem contact op met Stichting 113 Zelfmoordpreventie. Bel 113 of 0800-0113 (gratis) of chat anoniem op de website via 113.nl. Stichting 113 Zelfmoordpreventie is 24 uur per dag bereikbaar, 7 dagen per week.
Dit interview staat in &C's editie 'Zuinig is het nieuwe chic'.
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))