Door: Redactie
Journalist Vera Spaans was jarenlang de koningin van het excuus: 'Sorry, de brug stond open' of 'Ik ben er over vijf minuten'. Maar waarom lukt het de één wel om stipt te zijn en de ander nooit? Vera dook in de psychologie van de laatkomer.
Eigenlijk onstond het idee om een boek te schrijven toen ik een keer, voor de verandering, helemaal niet te laat was. Het was oktober 2018, de krant waar ik werkte hield een brainstorm voor een nieuwe bijlage. Een stuk of acht mensen waren uitgenodigd. Twee verslaggevers, een paar beeldredacteuren, twee eindredacteuren en de hoofdredacteur. De chef van de bijlages had de vergadering belegd, heel chic, in een klein theater. Dus niet op de redactie, eind van de middag, even helemaal los van de hectiek, dat werk.
De brainstorm zou om vier uur beginnen. Ik arriveerde om twee minuten voor vier. Iemand van het personeel verwees me naar de eerste verdieping. Midden in de zaal stond een gigantische ovale tafel, met allerlei schalen fancy zakjes chips en verantwoorde chocola. Er lagen stapels maagdelijke post-itblokjes, en in de hoek stond een whiteboard te wachten op ideeën. Er was niemand.
Voor de vorm ging ik naar de wc, maar toen ik terugkwam, was de zaal nog steeds leeg. Ik maakte een fotootje van de uitgestrekte tafel. 'Wordt een prachtige bijlage,' appte ik naar mijn man. Na tien minuten kwamen de eerste anderen. Twee beeldredacteuren. Een paar minuten later volgden de eindredacteuren. Even voor half vijf arriveerde de chef. 'Heb je al wel wat besteld?' vroeg ze. 'Je moet lekker wat nemen, hè? Alles kan!' Geen woord verder.
De hoofdredacteur, wellicht ten overvloede, was er om kwart voor vijf. Intussen voelde ik me kleiner dan ooit. Dit is wat ik me kan herinneren dat ik dacht. Ik heb geen leven. Ik heb kennelijk niets beters te doen dan op andermans vergadering verschijnen. Mijn tijd doet er niet toe. Ik ben echt de allerlaagste onderknuppel in deze organisatie. Mijn wraak kwam aan het einde. Toen alle ideeën wel zo’n beetje waren uitgewisseld, keek de groep vragend naar mij. 'Tja,' zei ik. 'Ik zou weleens een verhaal willen maken over hoe het toch kan dat sommige mensen altijd te vroeg, en andere mensen altijd te laat zijn.' Vonden ze een goed idee.
Lees ook: Wie ben je nog, nadat je ontslagen wordt?
Twee kampen
Mijn voorstel kwam niet uit het niets. Ik ben zelf mijn halve leven de laatkomer geweest. Eigenlijk voor alles: voor cursussen op werk, voor begrafenissen, zelfs voor de ceremonie waar mijn stiefvader een lintje kreeg uitgereikt. Slordigheid, dacht ik zelf - áls ik er al dieper over nadacht. Pas vrij kort geleden had ik besloten mijn leven te beteren, en die brainstorm van de redactie was een van de eerste keren dat ik erin geslaagd was goed op tijd te komen. En precies toen liet de rest het dus afweten.
Laatkomen, ontdekte ik toen ik me er verder in ging verdiepen, hoorde niet alleen bij mij, maar bij ongelooflijk veel mensen. Als je op een etentje komt, weet je feilloos wie er al zal zijn en wie nog op zich laat wachten. En breng de kwestie ter sprake en de stellingen worden razendsnel betrokken. De vroegkomers in het ene kamp, de laatkomers in het andere. Te laat komen, vindt het ene kamp, is respectloos, onprofessioneel en arrogant - een signaal dat je je eigen tijd belangrijker vindt dan die van iemand anders. Maar ook de laatkomers hebben hun argumenten klaar. Een hang naar stiptheid, vinden zij, is krampachtig en overdreven. 'Laatkomers,' zegt een kennis, 'krijgen veel meer gedaan op een dag. Die draaien nog even snel een wasje of versturen nog een mail, terwijl de mensen die te vroeg zijn dan alvast sikkeneurig met hun windjack aan in de hal op de klok staan te kijken.'
Het lijkt alsof de wereld is verdeeld in vroeg- en laatkomers. Hoe kan dat? Een deel, blijkt, is biologisch bepaald. Zo hebben avondmensen – toch zo'n dertig procent van de bevolking – zeker in de ochtend meer moeite met op tijd komen. Dat komt door de werking van hun nucleus suprachiasmaticus, het deel van je brein vlak achter de ogen. Die bepaalt je biologische klok, en regelt de aanmaak van melatonine: het hormoon dat zorgt dat je in slaap kunt vallen. Bij ochtendmensen ligt de melatoninepiek eerder op de dag dan bij avondmensen. Avondmensenworden later moe, en zijn 's ochtends vroeg dus nog niet op hun best. Hun systeem is dan nog niet op gang. Reuze onhandig in een maatschappij waar juist in de ochtend strak op tijd komen belangrijk wordt gevonden – op school, college of werk.
Afgeleid door een volle wasmand
Ook mensen met ADHD worstelen vaak met op tijd komen. Het inschatten van hoe lang alles duurt voor je ergens arriveert is voor hen vaak lastig. En dan is het nog eens extra complex doordat de prikkeloverdracht in hun brein is verstoord. Als je in je haast naar de deur wordt afgeleid door een volle wasmand of een mailtje dat schreeuwt om antwoord, is het voor mensen met ADHD nog verleidelijker dan voor anderen om daaraan toe te geven.
Maar er speelt nog iets anders een rol: sommige mensen denken dat een minuut veel langer duurt dan andere. Amerikaans psychologisch onderzoek toont een verband aan tussen karakter en tijdsbesef: mensen die een sterk gevoel van tijdsdruk ervaren, opgejaagdheid, denken dat een minuut aanzienlijk sneller gaat dan mensen die ontspannener in het leven staan. Waar de eerste groep gemiddeld schat dat een minuut 58 seconden duurt, houdt de tweede groep het op 77. Een enorm verschil wanneer je dat omrekent naar een uur. Als iemand met een verstoord tijdsbesef even niet op zijn horloge kijkt, is hij of zij dus zomaar twintig minuten later.
Psychologen wijzen ook op de samenhang tussen kenmerken uit de 'Neo Big Five', een theorie die persoonlijkheden beschrijft op basis van vijf algemene dimensies: consciëntieusheid, altruïsme, neuroticisme, extraversie en openheid. Mensen die hoog scoren op consciëntieusheid en op altruïsme hebben een sterke voorkeur voor op tijd komen. Dat geldt ook voor sommige mensen met aanleg voor neuroticisme: wie te laat komt, maakt zich immers kwetsbaar voor kritiek van anderen. Maar er zijn ook neurotische types die juist nooit op tijd zijn. Hoe zit dat dan? Ik vraag het psychotherapeut Kees van der Meer, die zich bezighoudt met angst, depressie en persoonlijkheidsstoornissen. In dat geval gaat het om mensen, zegt hij, die een hekel hebben aan wachten. 'Wachten is oningevulde tijd. Je hebt niets te doen, je bent je heel erg bewust van jezelf. Mensen kunnen daar heel slecht tegen.'
Ik moet denken aan die keer in het theater, dat ik als enige op tijd was, en hoe lullig ik me voelde. Opeens heb ik er beeld bij. Ik hou inderdaad niet van wachten, en zal er alles aan doen om te voorkomen dat dat gebeurt - waardoor ik meestal te lang thuis blijf doorwerken, nog snel even iets opruim, en daardoor te laat van huis ga.
Te laat komen heeft betekenis, zegt Van der Meer. Hij ziet het bij zijn cliënten. Soms komen ze voor de eerste afspraken keurig op tijd, en laten ze het daarna afweten. Dat kan een signaal zijn dat ze de therapie minder belangrijk zijn gaan vinden. 'Soms geven mensen door steeds later te komen eigenlijk zelf aan dat ze de therapie minder hard nodig hebben.' Bij deze voorbeelden van te laat komen, realiseer ik me, gaat het helemaal niet om een karaktertrek, maar om een keuze. Vaak ben ik te laat omdat ik niet te vroeg wil komen. En die ene keer in het theater, toen vond ik het belangrijk om op tijd te zijn. Helaas was ik toen de enige.
Onderdeel van een systeem
Toen ik in mijn eentje in dat verlaten theater stond, voelde ik me vooral stom en onbelangrijk. Om erachter te komen waar dat vandaan komt, spreek ik af met een kennis van vroeger van wie ik denk dat ze veel over intermenselijke verhoudingen weet. Het is Vivien Broekman, een trainer en coach die is gespecialiseerd in psychologie op de werkvloer en relatietherapie. Als ik haar mail of ik haar kan spreken voor mijn boek, stelt ze tien uur voor, bij haar thuis in Amstelveen. Dat is voor mij drie kwartier fietsen. Een dag voor de afspraak vraag ik haar of het ook een kwartier later kan. Mijn zoon heeft een themaafsluiting van school, wat kan uitlopen. En ik wil - natuurlijk! - niet te laat komen. 'Is goed,' mailt ze, een halve dag later.
De volgende dag ben ik om negen uur klaar bij school en blijf ik nog even napraten met een paar ouders. Net als ik weg wil, gaat het gesprek over mijn zoon, die kennelijk iets gedaan heeft wat niet mag. Ik kan niet weg voor ik de juiste geluiden heb gemaakt. En vraag me niet waarom: ik besluit toch nog even snel ergens chocolaatjes te halen, als bedankje voor Broekmans medewerking.
De 44 voorspelde minuten van Google Maps blijken geen rekening te hebben gehouden met tegenwind, met mijn derde versnelling die hapert en al helemaal niet met mijn beperkte navigatievaardigheden. Uiteindelijk bel ik pas om 10.25 uur aan. Ik put me uit in excuses, maar Broekman vindt het niet erg, zegt ze. Ze dirigeert me naar haar werkkamer, waar we ruim een uur praten over familieverhoudingen en ontwikkelingspsychologie. Broekmans motto is 'de camera naar jezelf draaien'. Bij jezelf ontdekken wat je overlevingsmechanismes zijn. 'Hoe meer je je eigen overlevingsstrategieën leert kennen, hoe meer ruimte er komt om vrij te reageren, in plaats van uit die oude emotie.'
Lees ook: Hoe komen we af van die ellendige urgency culture?
We zijn allemaal onderdeel van een systeem, legt ze uit. Je komt uit een gezin, je ouders komen ook weer uit een gezin. Daar zie en leer je hoe iets blijkbaar hoort. In haar eigen gezin, vertelt ze, was er weinig ruimte voor haar. Daardoor heeft ze zich aangepast, en is ze heel stil geworden, heel lief – gedrag dat ze nu, als het spannend wordt, weer gaat vertonen. 'Ik werd letterlijk vergeten. Als ik nu in een situatie beland die daarop lijkt, dan kom ik eerst in dat bijbehorende oude verdrietige gevoel. Als ik van daaruit ga reageren, raak ik mezelf kwijt, en raak ik jou kwijt. Nu ik weet hoe dat werkt, kan ik daaruit komen en het contact met mezelf en met jou behouden.'
Soms pakt ze er een paar kussens bij om een familieopstelling na te bootsen. Bij te laat komen, laat ze zien, kan het ook zo gaan. 'Zoals de ouders zich gedragen, zo zal het zijn. Sommige kinderen leren bijvoorbeeld van hun ouders op tijd te komen, en blijven dan hetzelfde doen. Of kinderen zetten zich af tegen hun ouders en komen vervolgens dus juist altijd te laat.' Tussendoor vertelt ze dat ze die middag een ziekenhuis moet bellen dat ze een opdracht niet gaat doen, en daarna nog naar België gaat voor een heisessie.
De chocolaatjes eet ze niet. Ze mag geen suiker. Tegen het einde van het gesprek vraag ik haar waarom je je toch altijd zo vervelend voelt als iemand anders je laat wachten. Broekman gaat verzitten. 'Nou,' zegt ze. 'Jij zou om tien uur komen. Een dag van tevoren mail je me dat het kwart over tien wordt. Ik heb later vandaag een moeilijk gesprek, ik moet nog naar België, maar dat deel ik allemaal niet. Ik zeg oké. En dan kom je nog weer later dan je gezegd hebt. Dat geeft niks, jij bent jij, maar intussen voel ik me weer het kleine meisje dat niet gezien wordt, dat er niet mag zijn.'
Ze had me net zo goed een klap in mijn gezicht kunnen geven. Ik mompel iets over dat ik toch gemaild had, dat ik dat allemaal niet wist, en dat ik juist graag op tijd wilde komen. Ondertussen ben ik me pijnlijk bewust van de onaangeroerde chocolaatjes op tafel. Tegelijk weet ik ook dat ik dacht: ze is toch thuis, wat maken die tien minuten nou uit. Maar dat durf ik niet te zeggen. 'Ik kan het wel relativeren, hoor,' zegt Broekman, iets te laat. 'Ik leg je alleen maar uit welke mechanismes in werking treden. Er verandert iets in jouw leven, en dan moet er kennelijk ook iets veranderen in mijn leven.'
Ze klinkt ontspannen, maar raakt aan een teer punt. Kennelijk heb ik gedacht, al dan niet bewust: mijn tijd is belangrijker dan jouw tijd. Een thema-afsluiting, een gesprekje met andere ouders, een bedankje dat ik al veel eerder had kunnen kopen. Alles was belangrijker dan de tijd van iemand die geheel belangeloos meewerkte aan mijn boek. Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik een hekel krijg aan mezelf.
En dan, voor de duizendste keer, neem ik me voor: voortaan ben ik op tijd. Sta ik stil bij welke afspraken ik echt belangrijk vind, en probeer ik die beter te plannen. En vanaf nu bereid ik me voor op wachten. Zorg ik dat ik een boek meeneem, een flesje water, een extra oplader voor mijn telefoon. Zodat ik niet meer hoef te denken: waarom laat de rest me zitten? Maar me gewoon alvast installeer, mijn boek opensla en denk: laat de rest nog maar even. Ik zit hier goed.
:quality(95))
:quality(95))
:quality(95))
:quality(95))
:quality(95))
:quality(95))