Door: Edson da Graça
Zodra de zon zich drie dagen achter elkaar laat zien, gaat in Nederland de knop om. De slippers worden uit de kast gehaald, de barbecue wordt heilig verklaard en plotseling vinden we het volkomen normaal om op een terrasje te sippen aan een cocktail die per glas evenveel kost als een week boodschappen bij de Lidl.
Uit mijn eigen onwetenschappelijke onderzoek blijkt dat we in de zomer zo’n 23 procent blijer zijn. De wereld krijgt een soort Instagramfilter: vakantieliefdes bloeien op als hardnekkig onkruid, er wordt geflirt bij de glasbak en iedereen ziet er plotseling drie keer zo aantrekkelijk uit. Een klein beetje vitamine D en BAM: de glow-up is real. Maar er is één maar en die maar is zo groot als een hooibaal. Voor mij is de zomer namelijk niet alleen maar warme avonden en koude Desperados. Voor mij is het ook oorlog tegen flora. Terwijl veel mensen hysterisch doen over bloeiende bloesems en fluitende vogeltjes, kunnen die grassen, bomen en pollen van mij de vinketering krijgen. Ik loop rond met ogen zo rood dat mensen vragen of ik aan de geestverruimende middelen zit, en een neus die fungeert als snotkanon. Overdag is het overleven, maar ’s nachts begint de echte horror. Omdat mijn neusvleugels dan volledig geasfalteerd zijn, moet ik ademhalen via mijn mond. De klankkast gaat open en ik snurk in Dolby Digital 7.1. Mijn vrouw Maud ligt de halve nacht naar het plafond te staren, woedend, omdat ik haar nachtrust vernietig met mijn snurkorkest. En laten we eerlijk zijn: als de nachtrust verdwijnt, verdampt het empathisch vermogen van een partner sneller dan een Raketje in de Sahara. En alsof mijn immuunsysteem dat nog niet uitdagend genoeg vindt, heb ik ook nog vier kinderen. Die precies op het moment dat ik mijn eerste hooikoortstabletje naar binnen werk, zes weken vakantie krijgen. Zes weken waarin de school zegt: ‘Succes ermee, we zien ze in september wel weer’. Terwijl de kinderloze medemens op een terras mijmert over de zin van het leven, ben ik thuis een onbetaalde, oververmoeide eventmanager. ‘Wat gaan we doen?’ is geen onschuldige vraag, het is een dagelijkse bedreiging. Ik moet programma’s uit de grond stampen alsof ik bij John de Mol op de formatontwikkeling zit. Alleen werk ik zonder reclamebudget, zonder stagiairs, en met een publiek dat een éénsterrenreview achterlaat als er niet minstens een ijsje, een spectaculaire speeltuin en iets unieks op de planning staan. Ik kan het nooit goed doen. De zomer is prachtig. Echt waar. Het is het seizoen van het licht, de eindeloze avonden en de herinneringen die je later in fotoboeken plakt. Maar het is ook het seizoen van onophoudelijk snuiten, strategisch overleven en je afvragen waar de kinderen de energie vandaan halen om voor de vijftigste keer van de glijbaan te gaan terwijl de mussen dood van het dak vallen. Misschien is dat wel de ultieme definitie van de zomer: een mix van zonneschijn en chaos. Terrasjes, tissues, romantiek en keiharde logistiek. En toch ergens tussen het gesnotter door en nadat ik voor de tiende keer heb uitgelegd waarom we niet weer naar de Efteling gaan, zit ik even stil. In de zon. Met een kop koffie die inmiddels lauw is. En dan kijk ik naar die vier stuiterende energiebommen en denk ik: ja, oké... het is het waard. Maar vraag het Maud morgenochtend nog maar een keer.
Deze column staat in &C's Zomerboek, dat nu in de winkels ligt.
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))