Door: Sarah Janneh
Ik zat laatst met collega’s aan de bar lekker na te pimpelen na een show toen iemand de vraag stelde: wat is het gekste wat je ooit gedaan hebt voor werk?
En lieve lezers, ik kan je een advies geven. Vraag dit nooit aan een acteur. Want binnen twee minuten zit iedereen rechtop verhalen te vertellen over huilen op commando, schreeuwen tegen muren, jezelf ‘losmaken’ (niemand weet waarvan) en docenten die met een serieus gezicht zeggen: ‘Ik geloof je niet.’ Waarop jij dacht: ik geloof jou ook niet, maar jij geeft cijfers dus laten we dit spelletje spelen. En het erge is: je deed het gewoon. Je kroop als een verdwaalde amoebe door een ruimte omdat iemand zei dat je ‘meer dier’ moest zijn. Je lag op de grond je geboorte opnieuw te beleven. Je stond tegen een stoel te praten alsof het je vader was. Niemand greep in. Niemand belde een volwassene. En ik? Ik kwam als meisje uit Brabant en snapte er sowieso geen reet van. Dus wat doe je? Je doet mee. Natuurlijk doe je mee. Iedereen doet mee. En als iedereen collectief besluit dat we vandaag een uur lang als natte vaatdoek door de ruimte gaan rollen om ‘bij onze kern te komen’, dan rol jij ook. Er hing ook altijd zo’n dreiging in de lucht. Alsof je carrière zou imploderen als je niet hard genoeg huilde. Alsof ergens een casting director zat te denken: ja, ze kan wel spelen, maar heeft ze ooit schreeuwend een innerlijk kind bevrijd? Nee? Dan helaas. Maar goed, aan die tafel bleek dus: iedereen heeft dit soort verhalen. Niet eens alleen van de toneelschool. Blijkbaar heeft elk beroep z’n eigen versie van collectieve waanzin. Alleen bij ons zitten er meer ademhalingsoefeningen bij. Het mooie is: toen voelde het allemaal bloedserieus. Alsof je bezig was met iets heiligs. Het was het allerbelangrijkste in je leven. Nu klinkt het alsof je lid was van een sekte met slechte koffie. En misschien was het dat ook een beetje. Maar hé, we kunnen er nu om lachen. En dat is ook wat waard. Al blijft er altijd een klein stemmetje in mijn hoofd, met een Brabants accent, dat af en toe opduikt en zegt: ‘Meid, waarom liep je een uur door de schoolgangen toen een docent zei dat je de les kon verlaten omdat je op zoek moest naar connectie?’ Eerlijk? Geen idee. Maar ik deed het. En wat misschien nog het meest irritante is, is dat het ook gewoon de leukste tijd van m’n leven was. Echt. Tussen al dat geschreeuw, gekruip en existentiële geneuzel door, heb ik daar wel geleerd om m’n bek open te trekken. Om niet meteen weg te kruipen als iets ongemakkelijk wordt. Om schaamte een beetje los te laten, of er in elk geval doorheen te spelen. Ik leerde kijken. Naar anderen, maar vooral naar mezelf. En dat is dus soms pijnlijk, maar ook retehandig. Ik leerde falen waar mensen bij zijn, en dat de wereld dan niet vergaat. Sterker nog: dat het vaak juist beter wordt. En misschien is dat wel de grap van de toneelschool. Dat je er eerst compleet van gaat denken: dit slaat nergens op, om er later achter te komen dat het je stiekem precies gegeven heeft wat je nodig had. Zelfs dat gedoe met die connectie.
Deze column staat in &C's nieuwste editie 'Ik zie, ik zie'.
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))