Door: Eric de Munck
Er zat precíés een jaar tussen mijn laatste optreden bij RTL Boulevard in augustus 2025 en mijn grande comeback in… augustus 2026. Een jaar waarin er professioneel van alles gebeurde, waardoor ik privé vooral zo’n beetje ieder product in mijn mond stopte wat zelfs onder laboratoriumomstandigheden geen spoor van vitaminen of mineralen zou prijsgeven.
Stokbrood, frikandellen, chips en al het andere dat gefrituurd, gezouten of door een fabriek tot voedsel was getransformeerd. Uiteraard weggespoeld met talloze flessen wijn, want uitdroging ligt echt altijd op de loer.
Dat ik inmiddels al maanden iedere spiegel subtiel probeerde te vermijden, had bij mijn terugkeer weinig zin meer. Het televisiescherm liegt namelijk nooit. Sterker nog: tv is meedogenloos eerlijk, kent geen compassie en voegt voor het gemak ook nog een paar kilo toe. Alsof ik daar zelf niet al hard genoeg voor had gewerkt. Er moest overduidelijk iets groots gebeuren.
Eerlijk gezegd wilde ik daar helemaal niet aan toegeven. Aan die eeuwige oppervlakkigheid van het uiterlijk vertoon. Aan het idiote idee dat je kennelijk alleen iets zinnigs over Hollywood mag vertellen wanneer je kaaklijn scherp genoeg is om een blok Parmezaanse kaas mee te raspen.
Want natúúrlijk doet mijn gewicht geen sikkepit af aan mijn kennis, kunde of expertise. Toch kon ik het moeilijk verkroppen dat mensen na mijn terugkeer op de beeldbuis misschien maar één ding zouden denken: goh, die Eric is ook lekker uitgedijd tijdens zijn sabbatical. Vrijwel niemand was daar heus mee bezig. Maar de denkbeeldige kijkers in mijn hoofd hadden hun oordeel al klaar.
Daar stond tegenover dat ik oprecht ongezond leefde. Mijn lichaam functioneerde inmiddels vooral op snelle koolhydraten en druiven met een alcoholpercentage. Dus besloot ik mijn naderende televisiecomeback te gebruiken als stok achter de deur om voor de zoveelste keer in mijn leven weer eens ‘strak in mijn vel’ te komen. Een uitdrukking die altijd klinkt alsof je lichaam een dekbedovertrek is dat je met wat krachtig schudden weer netjes om het matras krijgt. Het werkte snel. Als een tiet zelfs.
Halverwege de zomervakantie ruilde ik mijn zorgvuldig opgebouwde dieet van vet en rosé van de ene op de andere dag in voor water. Aangevuld met af en toe een gekookt eitje, wat kipfilet of een plakje komkommer wanneer ik mezelf echt eens flink wilde verwennen.
In combinatie met mijn nieuwe hobby wielrennen bleek dat een perfecte blend. De kilo’s vlogen er in recordtempo vanaf. Dat mijn goede humeur, energie en algemene levensvreugde tegelijkertijd als sneeuw voor de zon verdwenen, nam ik voor het gemak maar even voor lief. Je kunt nu eenmaal niet alles hebben. Behalve honger. Daar had ik meer dan genoeg van.
Natuurlijk waren de reacties overweldigend positief. Want ik zág er veel dunner uit. Sommige mensen om mij heen bleken achteraf bovendien al geruime tijd van mening dat ik toch wel een tikkeltje opgeblazen was geweest. Wonderlijk hoe zulke observaties altijd pas worden gedeeld wanneer het probleem volgens de buitenwereld is opgelost.
Wat wás het toch knap van mij. Wat een discipline. Wat een doorzettingsvermogen. En dat vond ik zelf ook. Ik had opnieuw bewezen dat ik mijn lichaam binnen korte tijd volledig kon onderwerpen aan mijn controledwang. Applaus voor de man die zichzelf eerst maandenlang volstopt en vervolgens uithongert. Een staande ovatie graag, maar niet te lang, want ik voel me een beetje licht in mijn hoofd. Niemand vroeg vervolgens waarom die kilo’s er iedere keer weer aankomen.
Niet dat zo’n vraag tijdens een verjaardag boven de bitterballen uitgebreid behandeld hoeft te worden, maar achter dat schommelende getal op de weegschaal zit natuurlijk meer dan alleen een ontembare liefde voor paprikachips. Misschien is het een gebrek aan zelfliefde. Misschien de chronische interne onrust die voortdurend gedempt moet worden. Misschien probeer ik een diepere leegte op te vullen met alles wat knispert, kraakt of per doos van twaalf wordt verkocht. En misschien is eten soms gewoon de snelste manier om even niets te hoeven voelen.
Daar hebben we het zelden over. We feliciteren iemand wanneer die is afgevallen, zonder te vragen hoe dat eigenlijk is gelukt. Of diegene zich beter voelt. Gezonder is. Gelukkiger misschien. Het slankere lichaam geldt automatisch als de overwinning, terwijl niemand ziet welke strijd erachter schuilgaat.
En begrijp me niet verkeerd: ik ben dolblij met het resultaat. Mijn kleding zit weer lekker, ik voel me zekerder op televisie en ik hoef niet langer met militaire precisie te berekenen vanuit welke hoek een foto het minst confronterend is. Maar een crashdieet repareert echt alleen maar de buitenkant.
Als ik werkelijk iets wil veranderen, moet ik niet alleen mijn eetpatroon aanpakken, maar ook alle andere patronen die ervoor zorgen dat ik steeds opnieuw naar eten of drank grijp om mezelf te troosten, te belonen of simpelweg even uit te zetten. Ik moet leren luisteren naar mijn lichaam, in plaats van het eerst te negeren en vervolgens te straffen.
Het mezelf volstoppen met ongezonde shit is ingewisseld voor het mezelf nu dagelijks uithongeren. Voor het oog van de buitenwereld is dat een fantastische transformatie. Maar de echte zelfliefde zou natuurlijk zijn dat ik eindelijk eens stop met beide.
:quality(85))
:quality(85))