Door: Anne van Aartrijk
Waar de uitspraak eerder vooral het stokpaardje van oude, witte mannen was om kritiek op hun discriminerende uitspraken weg te wuiven, klinkt hij nu uit meer hoeken van de maatschappij. Zijn we dan écht te kritisch op elkaar geworden?
Johan Derksen die op nationale televisie over een verkrachting praat alsof het kattenkwaad is, Youp van ’t Hek die zich in uitverkochte shows blijft vastklampen aan de term ‘pisnicht’ of die oom die op kringverjaardagen altijd het hoogste woord heeft en álles de schuld van ‘de buitenlanders’ vindt. Van hen, mensen met juist opvallend veel spreekruimte, zijn we ’m gewend, de welbekende ‘je mag tegenwoordig ook níets meer zeggen’. Het maakt de uitspraak niet minder kwalijk, want ze slingeren hem er doorgaans in om kritiek op racisme, seksisme of een andere vorm van discriminatie te pareren met een slachtofferrol, maar voorspelbaar is hij in ieder geval. Niet iets om bijster serieus te nemen, laten we het daarop houden.
Links of woke
Daar lijkt, nu het geluid ook uit hoeken van de maatschappij klinkt die je als links of woke zou kunnen bestempelen, iets in te veranderen. Goed, hij komt niet voorbij in z’n dooddoenerige ‘je mag ook niets meer’-vorm, maar activisten, feministen en journalisten benoemen wel dat het lastiger is om je uit te spreken. Als een groep BN’ers zich eind 2024 verenigt in de Oxfam Novib-campagne Niet in mijn naam om aandacht te vragen voor de genocide in Gaza, klinkt er kritiek: waarom hebben jullie het niet over de humanitaire crises in Soedan, Syrië, Congo en Oekraïne? En als begin 2025 Halina Reijns Babygirl uitkomt, een film die gaat over je als vrouw bevrijden van seksuele begrenzingen, vinden critici dat hij alsnog schadelijke man-vrouwverhoudingen bevestigt. Tegelijkertijd wordt iedereen die dat commentaar uitspreekt, óók weer aangevallen, maar dan op een gebrek aan solidariteit met Reijn.
Het wekt de indruk dat we het onszelf, in ons streven naar nuance, inclusiviteit en gelijkwaardigheid, ook té moeilijk kunnen maken. Té ver kunnen gaan. Kijk maar naar hoe half Nederland in rep en roer was nadat de trainer van schaatskampioen Femke Kok tijdens haar huldiging grapte dat ze nog geen vriend had. Een seksistische uitspraak, vonden sommigen, suggererend dat een vrouw niet compleet is zonder man. Maar veel meer mensen riepen ‘dat we niet zo moeilijk moeten doen met z’n allen’. Ook Kok zelf vond het ‘werkelijk helemaal nergens op slaan’. Leggen we elkaars uitspraken inderdaad te veel onder een vergrootglas? Of in de woorden van de eerder genoemde oom: mogen we dan nu écht niks meer zeggen?
Wie de bal kaatst
Bekijk je het juridisch, dan is het antwoord simpel: zeggen dat je in Nederland niets meer mag zeggen, is lulkoek. Mits het geen opruiing is, kun je van alles uitkramen zonder opgepakt te worden. Van dat ‘onze vrijheid van meningsuiting in gevaar is’, zoals weleens wordt opgegooid, is dus weinig waar. Wat wel veranderd is, is dat je dingen steeds minder zonder gevolgen kunt uitkramen. ‘Het publieke debat is geëmancipeerd,’ legt publieksfilosoof en voormalig Denker des Vaderlands Daan Roovers uit. ‘Vroeger deed alleen de elite mee aan het debat, maar dankzij digitalisering heeft nu iedereen rechtstreeks toegang.’ Onderdrukte groepen die eerst geen stem hadden, hebben die nu wel en maken er gretig gebruik van. ‘Nu geldt dat wie de bal kaatst, hem terug kan verwachten,’ aldus Roovers. ‘Voor sommige mensen, zoals de klassieke witte man, is dat even wennen.’
Inmiddels lopen niet alleen witte mannen tegen die vernauwde bewegingsruimte aan, wat onder andere met de toegenomen polarisatie te maken heeft. Het grappige is, hoewel we denken dat het aantal tegengestelde meningen hoger is dan ooit, blijkt uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau dat dat hartstikke meevalt. Maar wat wel gestegen is, is affectieve polarisatie: de emotionele beleving van die tegenstellingen. ‘We zijn het dus niet vaker oneens met onze buren dan tien jaar geleden,’ illustreert Roovers, ‘maar áls we het oneens zijn, worden we sneller boos, willen we eerder afstand en krijgen we sneller een hekel aan elkaar.’ Die toename kent ze grotendeels toe aan de huidige politiek. ‘Uit onderzoek blijkt dat het taalgebruik van politici directe invloed heeft op de samenleving. Doen zij vaker racistische uitspraken, dan neemt racisme in de samenleving toe. Wat je nu bij politici als Wilders, maar ook Yesilgöz en soms zelfs Jetten ziet, is dat ze niet proberen te verbinden, maar groepen juist verder tegenover elkaar zetten. Ze gooien olie op het vuur, en dat zorgt voor een vijandige dynamiek in de rest van de maatschappij.’
Verder lezen? Het hele verhaal lees je deze maand in &C's 'Wie ken je nou écht?'
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))