Door: Sarah Janneh
Ik heb een ingewikkelde relatie met autoriteit. Vooral als die autoriteit een man is met een te rechte rug en een stem die een halve toon lager gaat zodra hij ‘de leiding’ neemt.
Dan gebeurt er iets in mij. Iets ouds. Iets wat meteen denkt: opbokken. Het is niet dat ik niet kan luisteren. Ik luister de hele dag. Naar vrienden, naar muziek, naar mijn eigen twijfels, vooral naar mijn eigen twijfels. Maar zodra iemand zegt wat ik moet doen, zonder dat ik erom heb gevraagd, krijg ik een kleine kotsneiging. En bij mannen is die kotsneiging net even heftiger.
Ik heb lang gedacht dat het gewoon koppigheid was. Of karakter. Maar er zit ook iets anders onder. Iets wat teruggaat naar hoe ik ben opgegroeid, met alleen mijn moeder. Mijn moeder was alles: autoriteit, zachtheid, structuur. Ze zorgde er allemaal voor. Niet perfect, wel echt. En misschien is dat het: mijn referentie voor gezag is iemand die het verdiende door er te zijn. Door het te doen. Niet door het te claimen. Dus als een man tegenover mij gaat staan en zegt hoe het zit, zonder dat ik heb gezien waarom hij dat recht heeft, denk ik: op basis waarvan precies?
Zoals een conducteur die vraagt of ik thuis ook mijn voeten op de bank leg. Dat doe ik ja. Sue me. Of een kerel die mij ooit vroeg of ik wel genoeg verdiende bij Het klokhuis en of het niet beter was als ik iets ging doen wat meer zekerheid bood. Dankjewel financieel adviseur. Echt super. Of een man die mij ooit na een voorstelling uitlegde hoe acteren werkt. Zelf had hij nooit geacteerd. Misschien als derde boom van links in zijn groepachtmusical, maar dat bleek voor hem voldoende kwalificatie. Het is geen mannenhaat, het is eerder scepsis. Een ingebouwde factchecker die vooral afgaat op toon, op houding, op dat subtiele verschil tussen iemand die iets weet en iemand die denkt dat hij het weet omdat hij gewend is dat mensen knikken.
Misschien projecteer ik van alles. Misschien hebben mannen er niks mee te maken en ben ik gewoon nog steeds dat kind dat heeft geleerd: wij redden onszelf wel. Want dat deden we ook. Mijn moeder en ik. We hadden geen diepe mannenstem nodig om beslissingen te nemen. Geen ‘zo doen we dat hier’. Dus als iemand dan binnenkomt met een air van ‘Ik zal het even uitleggen’, dan denk ik: tranquilo, gap, met je mond. Tegelijkertijd weet ik ook dat autoriteit niet per definitie slecht is. Dat er mensen zijn die leiding nemen omdat ze iets kunnen, iets zien, iets snappen. Dat niet elke man die zijn mond opendoet een wandelend machtscomplex is. Maar mijn reflex is soms sneller dan mijn nuance. Dus ik oefen. In luisteren zonder meteen in de tegenaanval te gaan. In onderscheid maken tussen iemand die boven mij wil staan en iemand die naast mij wil staan maar toevallig iets meer weet op dat moment. En soms lukt dat. En soms denk ik: hou je mond, ik regel het zelf en ik heb je domme mening niet nodig.
Sommige mensen noemen het een autoriteitsprobleem, ik noem het een heel goed ontwikkeld bullshitfilter. En soms is dat totaal onbetrouwbaar. Het ding slaat vooral aan op toon. Iemand kan iets zinnigs zeggen, feitelijk goed doordacht, maar als het wordt gebracht met dat minilaagje ‘ik weet het beter dan jij’, gaat mij bij het luchtalarm af. En ik weet niet of ik daar ooit nog van afkom.
Deze column staat in &C's nieuwste editie 'Wie ken je nou écht?'
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))