Door: Anne van Aartrijk
In de rubriek Mindfuck werpen we een frisse blik op mentale kwesties. Met deze maand: de obsessie met productiviteit waar we allemaal mee kampen. Waar komt die vandaan? En hoe kom je ervan af?
Je kent ’t wel
Dat ontspanning belangrijk is weten we heus wel, maar practicen wat we preachen? Nee, dank je. Liever zijn we zo productief mogelijk. In ons werk, in onze vrije tijd, zelfs in onze relaties. We willen zoveel mogelijk taken afvinken en zoveel mogelijk doelen behalen, en pas dán kunnen we tevreden op de bank zitten. Klein probleem: dat punt bereiken we nooit.
Van toepassing als
Er nooit een einde aan je denkbeeldige to-dolijst komt
Je to-dolijst überhaupt te lang is om op te schrijven
Je bij het woord ‘to-dolijst’ een gelukkig en tegelijkertijd angstig gevoel krijgt
Je eindelijk eens wél tevreden op die bank wil zitten
Productiviteitsfetisj
De obsessie met het optimaliseren van ons leven en het, al dan niet onbewust, gelijkstellen van onze waarde aan hoeveel werk we verzet hebben, wordt ook wel productiviteitsdwang genoemd. Of zoals filosoof Lieke Knijnenburg, die over dit onderwerp het boek Een schitterende leegte schreef, het met een pakkendere term noemt: de productiviteitsfetisj. Als je tot nu toe altijd verkondigde geen fetisj te hebben, wil je je woorden heroverwegen, want er is bijna niemand die deze niet herkent. Het afstrepen van to do’s is zo belangrijk voor ons geworden, dat we er bijna opgewonden van raken. Misschien vind je jezelf zelfs pas een goed mens, nadat je productief bent geweest. Wijk je af van dit patroon, dan ontstaat er zogeheten productiviteitsschuld: een rot, leeg en schuldig gevoel, omdat je rust neemt die je zogenaamd niet verdiend zou hebben.
Breder dan werk
De neiging om alles zo efficiënt mogelijk in te willen richten, linken we al snel aan werk. Maar het gaat verder dan dat, aldus Knijnenburg. ‘Je kunt wel minder hard gaan werken, maar als je je vrije tijd als een soort manager beheert, levert dat alsnog een frustrerend gevoel op.’ Wel komt onze obsessie met productiviteit voort uit werk, stelt ze. ‘Het is ontstaan vanuit een economisch systeem dat moet groeien om stabiel te blijven. Daarvoor is innovatie nodig, wat weer leunt op concurrentie en wij die ons blijven vernieuwen en ontwikkelen.’ Dat gevoel zijn we naar verloop van tijd gaan internaliseren. Niemand hoeft ons meer te vertellen dat we onze tijd nuttig moeten besteden, dat doen we zelf.
Nadat men in de jaren zestig wat meer te besteden kreeg en het ‘je hebt maar één leven, dus haal er alles uit’- gedachtegoed opkwam, zijn we vrije tijd op dezelfde manier gaan ervaren. ‘We kregen het idee recht te hebben op allerlei ervaringen en begonnen bucketlists te maken. Nu zijn daar ook nog sociale media bijgekomen, die ons constant laten zien wat er allemaal nog meer mogelijk is.’ Ga maar na: zelfs op vakantie willen we zoveel mogelijk zien, de meest verstopte hidden gems vinden en de authentiekste ervaring hebben. ‘Die explosie aan mogelijkheden is mooi, maar levert ook stress en een gevoel van nooit genoeg op.’
Toxische productiviteit
De vraag is: wanneer gaat het te ver? Productief zijn is óók heerlijk, en kan er bovendien voor zorgen dat je slaagt in je carrière, sociale leven of het op orde houden van je huis. ‘Ik denk dat het een probleem wordt als het moeten het willen gaat overstemmen,’ zegt Knijnenburg, ‘dus dat iets wat je leuk vindt je gaat tegenstaan, juist omdat het op je lijstje staat. Of dat je juist niet meer luistert naar wat je zelf wil, maar je alleen laat leiden door wat moet en vervolgens over je eigen grenzen heen gaat.’
Daarbij kan onze productiviteitsfetisj ons van elkaar vervreemden. Die strenge blik die we naar onszelf hebben, hebben we ook al snel naar anderen. Over mensen die niet werken om wat voor reden dan ook, hebben we al snel een waardeoordeel, zonder het hele verhaal te kennen. Maar ook tussen ons en de mensen dicht bij ons kan afstand ontstaan. ‘Als iedereen zich vasthoudt aan zijn eigen planning, blijft er weinig ruimte over om met elkaar mee te bewegen,’ legt Knijnenburg uit. ‘Terwijl, menselijke omgang laat zich niet plannen en loopt vaak anders dan verwacht.’ Dat zie je ook terug in de liefde. We stappen de eerste date steeds vaker binnen met een lange eisenlijst, iets wat averechts werkt. ‘De liefde is rommelig. Het gaat niet om voldoen aan elkaars eisen, het gaat om samen iets vinden wat je de moeite waard vindt om uit te zoeken en daarin met elkaar meegroeien.’
Juist geen stappenplan
Pijnlijk herkenbaar? En zin om het roer om te gooien? Dat is goed nieuws, maar het gaat ook gepaard met een beetje slecht nieuws: er is geen anti-productiviteitsstappenplan. Dat zou weer iets zijn waar je je aan moet houden. Nee, zegt Knijnenburg, het is eerder een bepaalde logica waar we vanaf moeten. ‘We moeten ruimte maken om aan te rommelen. Onszelf aanleren dat dingen niet nu moeten, dat ze niet altijd waardevol hoeven te zijn en zeker niet direct tot winst hoeven te leiden. Ik zoek het verzet dan ook in kleine dingen: anderen helpen in plaats van ze als concurrent zien en zachter voor mezelf zijn.’
Het minst productieve dat Knijnenburg zelf doet? ‘Dronken de wereldproblematiek bespreken in een rokersruimte, en dat dan de volgende dag helemaal vergeten zijn.’ Of je die tip opvolgt is aan jou, maar nuttig is het in ieder geval niet.
Dit artikel staat in &C's nieuwste editie 'Zuinig is het nieuwe chic'.
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))