Door: Anne van Aartrijk
Anne van der Burg (34) is hoogzwanger van haar tweede als ze in mei nieuws krijgt dat haar leven volledig op z'n kop zet. Ze heeft ongeneeslijke longkanker. In een reeks artikelen deelt ze met &C waar ze doorheen gaat. Dit keer: de nieuwe 'realiteit' waar ze ineens in belandt.
Nu ik wist dat er medicatie bestond om de kanker te slinken, wilde ik zo snel mogelijk beginnen. Voor het tablet dat ik neem, Lorlatinib, mocht ik alleen niet zwanger zijn. Ik was inmiddels bijna 36 weken en dus konden we het kindje halen. Let's go, dacht ik alleen maar. Na dat verschrikkelijke afwachten, kon ik eindelijk weer iets doen. Ineens had ik weer een doel: een gezond kind op de wereld zetten. Maar waar je normaal aan een bevalling begint vanuit je verlof, een periode waarin je rust neemt, nestelt en op een roze wolk zit, waren de omstandigheden nu allesbehalve comfortabel. Nu was er alleen maar angst, verdriet, dood en verderf. En paniek. Pure paniek. Ik probeerde zoveel mogelijk aan vrolijke, fijne dingen te denken, om zo toch enigszins positief de bevalling in te gaan, maar ik had geen idee waar ik het vandaan moest halen. Uiteindelijk heb ik in het ziekenhuis maar een Disney-film opgezet, Moana 2, in de hoop dat ik daar een beetje positiviteit uit zou halen. Ondertussen werd de bevalling opgewekt. Ik zou natuurlijk bevallen, omdat ik anders ook nog van een keizersnede zou moeten herstellen voordat ik met de medicatie kon beginnen. In eerste instantie wilde ik het zelfs zonder pijnbestrijding doen, totdat het heel veel zeer begon te doen. 'Wie houd ik eigenlijk voor de gek?' zei ik hardop tegen de gynaecoloog. 'Ik heb al kanker, dus waarom zou ik?' Het was een van de eerste momenten waarop ik het écht besefte. Ik heb gewoon kanker.
Oliver werd na drieënhalf uur geboren. Vanaf het moment dat hij er was, was de roze wolk er ineens wel. Eíndelijk was er weer even fijn nieuws. Na die intens verdrietige dagen konden we onze familie opbellen met het bericht: hij is er, en het gaat goed met hem. Iedereen was zo oprecht blij, Morris kon zijn broertje ontmoeten en wij konden onze ogen niet van Oliver afhouden. Als ik naar hen keek, Morris en Oliver, was ik vrolijk. En wat voor mij fijn was: ik had weer een nieuw doel. Herstellen. Nu kon ik met de medicatie beginnen. Ze raden aan een vast tijdstip te kiezen, dus ik besloot dat ik elke ochtend om kwart over acht het tablet zou nemen. Die eerste ochtend was een bijzonder, nieuw en ook blij moment. Oké, dacht ik, ik neem nu een pil voor mijn nieuwe leven, maar dan wel een zonder kanker.
Lees ook: Net moeder en ongeneeslijk ziek #1: 'Is het een kwestie van jaren of van maanden?'
Lang zal ze leven
Naarmate we weer thuis waren, de roze wolk langzaam afnam en het normale leven weer begon, sijpelde het besef dat ik ongeneeslijk ziek ben steeds vaker binnen. Het zat 'm in hele kleine dingen. Als ik Morris naar bed bracht, bijvoorbeeld, en zoals gewoonlijk wilde zeggen: 'Mama is altijd bij jou.' Ineens kon ik dat niet meer beloven. Of als ik mensen Lang Zal Ze Leven hoorde zingen. Dat dacht ik ook altijd, lang zal ze leven. Of als mensen me wilde geruststellen over hoeveel Morris en Oliver van het verdriet meekregen en zeiden: 'Ah joh, dat weten ze straks niet meer hoor. De eerste vier jaar van hun leven, die onthouden ze toch niet.' Die kwam zó hard binnen. Als ik die eerste vier jaar maar red, dacht ik alleen maar, want anders onthouden ze hun eigen moeder niet. Als je kinderen krijgt, sta je helemaal niet stil bij hoeveel tijd je samen zult hebben. Ik heb nooit gedacht: oh, ik hoop dat ik veertig jaar met ze heb. Terwijl, nu is tien jaar mijn mooiste scenario. Dat ik misschien maar weinig tijd met ze heb, dat is mijn allergrootste pijnpunt. Die gedachte stop ik zo veel mogelijk weg. Anders kan ik alleen maar huilen.
Zes weken nadat ik met de medicatie was gestart, zouden Sander en ik mijn behandelend arts ontmoeten. Onderweg naar het Antoni Van Leeuwenhoek-ziekenhuis hield ik zijn hand vast. 'Maar ik heb toch gewoon minimaal tien jaar?' stamelde ik ineens. Hij antwoordde voorzichtig: 'Dat geloven we heel sterk. Maar schat, het is geen gegeven, hè?' Oh ja, herinnerde ik mezelf, misschien niet minimaal. Maar wel tien jaar. Eenmaal in de spreekkamer liet mijn nieuwe arts vallen: 'In het slechtste geval heb je één tot twee jaar.' Wacht even, dacht ik, waar komt die één ineens vandaan? De oncoloog had het over in het slechtste geval twee jaar en in het beste geval tien plus, nu was het ineens één? Daarna schoof ze me een boek toe met de titel: En dan heb je kanker. Op dat moment stortte ik volledig in. Ineens was ik weer terug in die allereerste dokterskamer, waar de vier dokteren met ernstige gezichten binnenkwamen om het slechte nieuws te brengen. Dit keer zat Sander niet in zijn eentje naast me, maar met onze newborn die hij een flesje aan het geven was, maar het gevoel was hetzelfde: dit is zo'n fucking slechte film.
Dezelfde Anne
Wat ook in deze periode gebeurde, is dat ik me weer beter ging voelen. Ik kon weer normaal de trap op zonder buiten adem te zijn, meer dan vier zinnen achter elkaar zeggen en Morris voorlezen. Hey, zeiden Sander en ik steeds vaker tegen elkaar, de medicatie werkt. Ik werd weer mens. Meer dan dat: ik werd weer mezelf. Ik kon weer meehelpen in het huishouden, en ik vond het nog leuk ook. Ineens hadden Sander en ik weer ruzies over de vaatwasser, waarna we elkaar lachend aankijken. Alleen schoonmaken doe ik niet meer. Vrij snel na de diagnose dacht ik: en nu wil ik een schoonmaker. Stel dat ik minder dagen in het leven blijk te hebben dan ik dacht, dan wil ik geen dingen meer doen die ik niet leuk vind. Ook de eerstvolgende scans waren supergoed. Na drie maanden was de kanker met meer dan 80 procent verminderd. Als mensen aan me vroegen hoe het ging, kwam ook het woord 'goed' ineens weer in me op.
Het gaat dus alle kanten op, mentaal. Soms voel ik me net een Sims-poppetje. Een poppetje dat iemand uit zijn huis heeft getrokken en in een ander hokje heeft gestopt, waar iemand tegen me zei: 'Jij hebt nu ongeneeslijke longkanker. Slik dit pilletje, en ga weer naar huis.' Daarna ben ik weer in mijn eigen huis gedropt en moest ik verder met mijn normale leven. Het voelt hetzelfde, maar tegelijkertijd is het totaal anders. Ik ging van 'ik ben nooit meer dezelfde Anne en ik ga dood' naar 'oké, ik ben eigenlijk weer precies dezelfde Anne, maar dan met twee kinderen en een tabletje dat ik moet slikken'. Maar wat helpt, is dat ik besloten heb dat ik niet doodga. Dat heb ik echt besloten. Ik weet dat de prognose heel slecht is, maar tegelijkertijd voel ik aan alles dat het goed komt. Als ik elke dag dat tabletje neem, gezond eet en sport, dan ga ik hier gewoon nog heel lang zijn. Ik heb nu botte pech van een op de honderdduizend, misschien heb ik straks ook wel gewoon geluk.
Wordt vervolgd.
:quality(95))
:quality(95))
:quality(95))
:quality(95))
:quality(95))
:quality(95))