Door: &C Redactie
Als kind weet Dominique Schreinemachers al dat ze militair vlieger wil worden. Tijdens een missie in Afghanistan wordt ze uit de lucht geschoten en moet ze haar helikopter veilig aan de grond zien te krijgen.
Dominique (43): 'Toen ik op mijn dertiende op tv een man in een groen pak een Starfighter, een gevechtsvliegtuig, uit zag stappen, wist ik: dat wil ik ook. Vlieger worden leek me het ultieme beroep: hersenen, fysiek, snelheid, alles komt daar bij elkaar. Dat leek me wel wat voor mij, want als kind hield ik al van uitersten opzoeken. Tijdens mijn middelbare schooltijd meldde ik me aan voor de opleiding Militair Vlieger. Je kunt je aanmelden als je een voldoende voor wiskunde A en Engels hebt. Dat had ik. Daarna moest ik een pittige selectie doorstaan waarbij ik van m'n dikke teen tot m’n linkeroorlel gekeurd werd. Je moet zelfverzekerd zijn, maar over de top zelfvertrouwen is gevaarlijk. Je moet niet te veel angst kennen, maar je moet het wel kunnen voelen. Je moet lenig zijn, maar niet te flexibel. Ik moest de moeilijkste berekeningen maken, kreeg talloze gehoortesten. Tweeduizend mensen melden zich jaarlijks aan, van wie er maar twintig geselecteerd worden. Tot die twintig behoorde ik. Tijdens de opleiding vallen er nog eens tien af. Dat is ook niet zo gek: het is een zware opleiding. Ik heb leren overleven in de vrieskou, een week zonder eten, in m'n eentje in de bossen geleefd terwijl de oefenvijand achter me aanzat, dieren geslacht, onderkomens gebouwd, geleerd hoe ik een oorlogsmissie plan. Allemaal zodat ik na een jaar testen, oefenen en dertig vlieguren kon beginnen aan de opleiding Militair Vlieger.'
Dreiging wordt normaal
'Ik was combat ready toen ik 25 was. Daarmee mocht ik ook op missie naar oorlogsgebieden in het buitenland. Natuurlijk wist ik dat dat risicovol was, maar ik had nu de allertofste baan van de wereld, dus die risico's nam ik voor lief. Ik had er alle vertrouwen in dat ik goed was opgeleid en in elke situatie – hoe gevaarlijk ook – wist wat ik moest doen. Met gezonde spanning en vooral heel veel enthousiasme, ga ik voor de tweede keer op vredesmissie naar Afghanistan, waar het regime van de Taliban op dat moment heerst. Ik werk op de transporthelikopter vanuit Kandahar, een groot vliegveld midden in de woestijn dat gedeeld wordt met alle NAVO-troepen. Ik breng voornamelijk jongens van en naar de frontlinie die het gevecht aangaan met de vijand. Tussendoor vervoer ik raketten, kerosine of ander materiaal en ga ik op geheime special operation-missies. Ik leerde bij de cultuurlessen tijdens de opleiding al dat mijn aanwezigheid als vrouwelijke vlieger in Afghanistan botste met de lokale overtuigingen. Als ik de heli uitstap zijn er Afghaanse militairen die mij een hoer noemen. Zij vinden het onacceptabel dat ik dit werk als vrouw doe. Ik vlieg zes dagen per week. Op een vrije dag sport ik of zit ik aan een van de tafels voor onze slaapcontainers te kletsen met een iced cappuccino in mijn hand.
Mijn collega's ken ik inmiddels door en door. Mijn container deel ik met een andere vrouw. In de containers staan eenpersoonsbedden, met een doek ertussen voor wat privacy, en een smal tafeltje. Daarboven hangen alle kaartjes en foto’s die ik van mijn partner, moeder, zus en vrienden heb gekregen. Elke dag voel je dat het oorlog in Afghanistan is als de raketten ons om de oren vliegen, vlak bij of direct in ons kamp. Iedere avond gaat het alarm af. Een keer zat ik na mijn vlucht gezellig met een paar maten te kletsen, toen ik ineens het geluid van een naderende raket hoorde. Hij klapte tien meter naast mij in. Het grint spatte in mijn gezicht. We doken gelijk tegen de grond. Ik greep mijn helm en vest en maakte dat ik in de schuilbunker kwam. Om me heen hoorde ik mensen schreeuwen, er renden medici volledig onder het bloed voorbij. Al snel hoor je dan dat-ie is ingeslagen in de tent naast ons, het kampement van de Canadezen. Daarbij blijkt een man te zijn omgekomen. Hoe gek dat ook klinkt, iedere keer denk ik: o, gelukkig, niet een van ons detachement. De eerste paar keren schrik je heel erg van zo’n raket in de buurt, maar op een gegeven moment is die constante dreiging normaal.’
Simpele missie
‘Ik doe ook veel speciale missies, bijvoorbeeld het oppakken van de nummer 9 op de lijst van de Taliban. We plannen iedere seconde en millimeter nauwkeurig. Je moet precies weten via welke route en welke tuin we hem kunnen pakken, en met welke stand van de zon en weersomstandigheden we te maken hebben, omdat een fout maken absoluut geen optie is. Op 10 december 2009 hadden we er in de ochtend net zo’n speciale missie opzitten toen we ’s middags een belletje kregen: of we met twee helikopters nog even wat Nederlandse militairen wilden ophalen van Kamp Holland. Ook al is alles buiten ons kamp vijandelijk gebied, zo’n klus als dit is appeltje-eitje. Ik hoor mezelf nog zeggen: ‘Nou, dit is echt de simpelste missie ooit.’ In de helikopter is het bloedheet, zeker vijftig graden. Als ik mijn helm opzet, drupt het zweet binnen een paar seconden al langs mijn hoofd. We vliegen over rotsachtig woestijngebied naar het andere kamp. Hele stukken lang zie ik helemaal niets, dan af en toe een groepje bedoeïenen en vee. Als ik laag vlieg, rennen die dieren alle kanten op, ook dwars door de tenten van de bedoeïenen. Soms doemen kleine dorpen op, met huizen met vier meter hoge muren. Daar moeten de vrouwen binnen zitten.
Na zo’n veertig minuten komen we aan bij het andere kamp en pikken we tien man op. We zitten in totaal met zijn veertienen aan boord: vier crewmembers – de gezagvoerder, de co-piloot (ik), de door gunner en de loadmaster – en tien passagiers. Natuurlijk ben ik continu gefocust op mijn werk, maar in de heli is het ook gezellig. De mannen achterin ken ik niet, maar met de rest van de crew ben ik dikke vrienden. We zijn aan het chitchatten over een gevaarlijke missie die we de avond ervoor hadden gedaan, als het helemaal misgaat. We vliegen over een hoge bergkam als mijn controls (het besturingssysteem van de helikopter, red.) ineens bijna helemaal blokkeren. Op mijn dashboard branden heel veel lampjes. Achterin de cabine lekt olie. Mijn hart ligt zwaar in mijn borstkas en in mijn buik borrelt paniek. Wat gebeurt hier? Een vijand heeft het vuur op ons geopend en ons in de staart geraakt: een cruciale verbinding in een helikopter. Ik weet meteen: als we de stang tussen hoofd- en staartrotor kwijtraken, is het gedaan.’
Lees ook: Anke verloor haar moeder en zus aan ALS: 'Ik dacht bij iedere steek in mijn been dat ik het ook had'
Wat ga ik doen?
‘Twaalf minuten lang lukt het me om de helikopter in de lucht te houden. Intuïtief voel ik aan dat ik de controls juist niet moet bewegen – in tegenstelling tot wat ik tijdens de opleiding heb geleerd. De kans is vreselijk groot dat we gaan neerstorten. Voor emotie is geen ruimte, we moeten handelen. Elke crewmember heeft een taak, iedereen weet wat hij moet doen en onderneemt actie. We proberen te analyseren wat er aan de hand is. Gek genoeg neemt de paniek niet de overhand. Ik ben vooral bezig met: wat doe ik als ik op de grond aankom? Misschien duurt het tien seconden, misschien tien minuten, maar ik ben hier in vijandelijk gebied en ze gaan me vinden. Als de vijand mij als vrouw te pakken krijgt, word ik waarschijnlijk direct verkracht. Dat is in elke oorlog zo, dat heeft niet per se met Afghanistan te maken. Maar als blonde vrouw ben ik hier natuurlijk wel een trofee. Ze zullen me gevangen nemen, door de straten slepen om me vervolgens in een kooi te stoppen en in de fik te steken. Vervolgens sturen ze het filmpje waarop ze me verkrachten en vermoorden naar huis, en blijven mijn moeder en zus achter met dat laatste beeld van mij op hun netvlies achter. Ik heb tijdens mijn missies vaker oog in oog met de vijand gestaan. Het is extreem beangstigend als een boze menigte op je afstormt. De woestheid en walging die ze op je hebben, voel je en zie je in hun ogen.
Ik kan amper meer sturen en voel de controls af en toe blokkeren. Waar manoeuvreer ik deze kist nog naartoe als we nu uit de lucht vallen? Stuur ik naar de bergen, zodat we ons kunnen verstoppen, of naar open woestijn zodat we ons beter kunnen verdedigen? Ik ben me ervan bewust dat de jongens achterin geen wapens bij zich hebben, dus de crew moet hen ook verdedigen. Wij hebben per persoon een glock en een semi-automatisch wapen bij ons. Achterin liggen een vol automatisch wapen en een grote tas vol munitie. We hebben dus wel wát, maar op een gegeven moment raakt dat op. Ik weet in ieder geval wel: de laatste kogel bewaar ik voor mezelf, dat verkrachtingstafereel wil ik koste wat kost voorkomen. Schiet ik mezelf meteen door m’n kop als we straks gecrasht zijn? Of wacht ik af? Misschien zijn ze vriendelijk voor me, misschien kan ik met ze onderhandelen. Ik kan maar één keer schieten... Het lukt me niet om een keuze te maken. Ik kon niet klaar zijn voor wat komen ging, omdat ik niet wist wat dat dan zou zijn.’
Overlevingsfeestje
'Ineens komt de tweede helikopter, die achter ons vliegt, met een goed idee: 'Waarom ga je niet naar dat Amerikaanse bevoorradingskamp iets verderop?' Ik ben ze nog steeds dankbaar voor die ingeving, want dat is inderdaad een heel goede optie. Dan hoef ik alleen nog maar naar beneden te vliegen. Vlak voor we bij het kamp zijn, rem ik de heli af. Daarbij breekt de stang tussen de hoofd- en staartrotor alsnog, begint de helikopter te spinnen en crasht hij tegen de grond. Dertig meter verderop liggen raketten en kerosinevrachtwagens. Als we daar tegenaan crashen, komt er een enorme ontploffing. Gelukkig komen we net op tijd tot stilstand. Nu is het zaak om zo snel mogelijk uit de heli te komen. Eerst moet de crew nog een aantal procedures uitvoeren. Er lekt nog steeds olie, dus de heli kan elk moment in de fik vliegen. De gezagvoerder smijt zijn handschoenen tegen het raam en scheldt. Dan schakelen we snel de hittekogels die we aan boord hebben op een speciale manier uit, zodat die geen gevaar meer vormen. Alles is afgerond, we kunnen eruit.
Ik ben zo in shock dat het me niet lukt om zelf uit de heli te stappen. Ik word eruit getild door de jongens, en op dat moment komt de ontlading. Ik heb de tranen in mijn ogen en mijn hele lijf trilt. Als ik naar de heli kijk, zie ik dat de staartrotor losdraait van de hoofdrotor. Dat kán niet. Een helikopter kan zo helemaal niet vliegen. Dan besef ik in een klap: ik had hier niet meer moeten zijn. Vanuit homebase worden twee helikopters gestuurd om ons op te pikken. Doodeng natuurlijk, nu moeten we weer over dat gebied vliegen waar we een paar minuten geleden nog uit de lucht zijn geschoten. Achterin de helikopter gaan we in een vierkantje zitten, met onze armen om elkaar heen geslagen, en komen bij mij de tranen. Op homebase staan alle Nederlanders ons op te wachten met een alcoholvrij biertje om ons te omhelzen en vieren we dat we het overleefd hebben.'
Floortje, ik ben er nog
'Terug op het kamp mag ik met de satelliettelefoon naar huis bellen om mama en Floor, mijn zus, te vertellen dat ik oké ben. Mijn toenmalige partner werkte op dat moment ook bij Defensie, en hij wist dat er iets met een van de helikopters was gebeurd en dat ik erbij betrokken was, maar niet hoe erg het was. Zeker twee uur zitten ze in spanning tot ik bel. Floor fietst op dat moment dwars door druk Amsterdam. Ze springt snel van de fiets en gaat bijna onder een geparkeerde auto liggen om door het omgevingsgeluid heen te kunnen horen wat ik zeg: 'Floortje, ik ben er nog.' Ik heb me weleens schuldig gevoeld dat ik mijn moeder en zus zo weinig belde, of dat ik belangrijke momenten zoals het slagen van Floor miste. Altijd als ik terugkwam van een missie stonden ze klaar met spandoeken, ze organiseerden altijd afscheidsfeestjes als ik weer wegging. Het ging altijd over mij. Zij gaven mij alles, en ik kon het nooit teruggeven. De crash is een aanzet geweest om nog meer te genieten van het leven en om de tijd die ik heb nog beter in te vullen. Ik zie de waarde van de mensen om me heen nog meer in. Ik zag in één klap hoe bijzonder mijn moeder is, hoe waardevol mijn zus en vrienden zijn. Dat wist ik natuurlijk al wel, maar nu voel ik dat nog intenser.'
Nieuwe missie
'Het heeft wel wat jaren geduurd voordat ik mijn verhaal in de openbaarheid kon vertellen. Zeker het eerste halfjaar na de crash begreep ik maar niet waarom ik niet dood was. Met alles wat daar was, twaalf minuten blijven vliegen, crashen op een plek vol ontploffingsgevaar: het kón bijna niet. Ik heb me er op een gegeven moment maar gewoon bij neergelegd dat ik die vraag niet kan beantwoorden. Kennelijk was het mijn tijd niet. In december 2023 had ik, met pijn in mijn hart en tranen met tuiten, mijn afscheidsvlucht van Defensie om verder te gaan als ondernemer. De laatste tien jaar van mijn vliegercarrière gaf ik al trainingen aan mensen over hoe je grip kunt krijgen op je eigen gedrag en hoe je daarmee de controle over je leven kunt terugpakken. Ik volgde een opleiding in gedragspsychologie, en doorzag tijdens deze opleiding dat het controleren van je gedrag iets is wat je als militair vlieger dagelijks traint. Je ego zit je altijd in de weg, als vlieger leer je om dat te ontleden, om jezelf een spiegel voor te houden. Dat is ook heel zinvol in andere branches.
In eerste instantie wilde ik deze trainingen geven vanuit Defensie, maar dan moest ik aan de slag in het managementteam en ook andere taken op me nemen, dat vond ik saai. Uiteindelijk was stoppen bij Defensie de enige optie: zo kon ik me volledig richten op mijn bedrijf. De crash heeft geen impact meer op mijn dagelijks leven. Althans, niet in negatieve zin. Ik merk dat mensen naar mijn verhaal willen luisteren, willen horen wat ik heb meegemaakt. De lessen uit die crash zijn de basis geworden van mijn huidige werk. Ik heb gelukkig iets goeds kunnen doen met wat me is overkomen. Hoe heftig het ook was, uiteindelijk heeft het me heel veel gebracht. Ik heb nu een nieuwe missie in mijn leven: mensen inzicht geven in hun eigen gedrag waardoor ze ook de ander beter begrijpen, en daarmee hopelijk de wereld een beetje mooier maken.'
Dit en meer lees je in de nieuwe &C.

:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))