Door: Florence David Richard
Niet om oud te klinken, maar de tijden veranderen als een malle. En daarmee ook onze opvoedkunsten. Want goh, wat doe jij dingen anders bij je kleine dan je moeke vroeger bij jou deed. Herken jij de volgende situaties?
1. Aan de eettafel
Jij: 'Oké, als je écht geen bruine bonen lust, is het na een grote hap goed, ja? Dan maak ik de volgende keer iets anders voor jou.'
Jouw moeder: 'Eten wat de pot schaft', galmen je moeders woorden nog door je hoofd. Jij verliet de tafel echt niet voordat die bonen op waren. Je moest er immers nog van groeien.
2. Ziek zijn
Jij: ziek zijn betekent uitrusten en opknappen. Misschien geef jij je kleine zelfs wel mental health days, want aan het welzijn van je kind moet ook worden gedacht.
Jouw moeder: wist niet wat ziek zijn betekende. Slik een paracetemolletje en ga door met je dag, was het motto thuis. En altijd die verdraaide zin: 'Probeer het maar even op school, en pas als het niet gaat mag je naar huis komen.'
Lees ook: Goed met geld: 4 leuke én verantwoorde manieren van zakgeld geven
3. McDonalds
Jij: laat je kind niet te vaak fastfood eten, maar een keertje kan heus wel. Vooral als je kleine een lange dag heeft gehad, of een prestatie heeft behaald.
Jouw moeder: 'Er is eten thuis!'
4. Geld
Jij: geeft zakgeld.
Je moeder: vond dat je prima je gulden kon verdienen door een 'heitje voor karweitje' bij je buren te doen. Als moeders in een goede bui was, kon je nog een keer helpen met de afwas voor wat muntgeld.
5. Thuiskomen met een slechte rapportkaart
Jij: had allang een mailtje gekregen van de schooljuf dat je kleine het niet al te best had gedaan. Niet top natuurlijk, maar de volgende keer zal het beter gaan.
Jij vroeger bij jouw moeder: durfde die baggere cijferlijst niet mee naar huis te nemen, en duimde vurig dat ze het niet opbracht.
Lees ook: Voor het eerst op vakantie met je koter? Hier wil je rekening mee houden
6. Naar school gaan in de regen
Jij: vindt het eigenlijk best sneu dat je ukkepuk door de regen moet fietsen. En jij maar naar werk rijden in die warme auto. Ach, je brengt 'm wel even.
Jouw moeder: forceerde jou in het lelijkste regenpak ever, en liet je fietsen door weer en wind. Leuk voor jou vond ze het niet, maar 'als je hard doortrapt wordt je niet zo nat'.
7. Afspreken met anderen
Jij: 'Bij welk vriendje ga je spelen? Mag ik het telefoonnummer van die ouders? En laat je locatie maar aanstaan, dan kan ik precies zien waar je bent. Zorg je dat je stipt om 16:45 uur thuis bent? Dan gaan we samen avondeten.'
Jouw moeder: 'Kijk maar waar je gaat spelen, als je maar thuis bent voor het donker.'
:quality(95))
:quality(95))
:quality(95))
:quality(95))
:quality(95))
:quality(95))