Door: Marije Knevel
Ik ben wel vaker de mist in gegaan in het buitenland. Zoals die keer in Italië dat ik de specialiteit van het huis bestelde. Ik begreep geen fluit van de kaart, maar dacht: ‘Ach, hoe erg kan het zijn?’ Er kwamen schapendarmen op tafel. Niet mijn fav, ik voelde zelfs mega weerstand toen ik het at. Maar voor hen is het een delicatesse.
Dus toen iedereen op vakantie enthousiast werd van een gerecht dat ik niet kon thuisbrengen, bestelde ik het gewoon. Ik eet ook bij straatstalletjes waar Rob Geus een rolberoerte van zou krijgen. Daar proef ik juist vaak de lekkerste maaltijden.
Voor mij werd een dampende kom neergezet met groenten, geurende kruiden en zacht draadjesvlees in een gebonden soep. Ik nam een hap. Och man, hier is de uitdrukking ‘alsof er een engeltje over je tong piest’ voor uitgevonden. De laatste restjes dipte ik met brood uit de kom, zó lekker was het. Pas daarna hoorde ik welk dier erin zat.
Hond.
Ik schrok natuurlijk. Ik dacht aan zo’n hond die op straat zo blij naar je kijkt en kwispelt dat je ’m haast wilt adopteren. En die had ik nu opgegeten. Maar de mensen aan tafel stelden me gerust. Deze hond was van goede herkomst. Biologisch voer, lekker naar buiten. Hij had het beter gehad dan veruit de meeste honden die voor hun vlees worden gehouden.
Die zitten met duizenden in stallen, zonder ooit buiten te komen. Hun pups worden al vroeg bij de moeder weggehaald, staarten worden afgeknipt en na een paar maanden gaan ze op transport naar het slachthuis. Er bestaan zelfs heuse hondenflats waar ze met 35.000 tegelijk zitten en nooit het daglicht zien. Dus wat fijn dat ik een hond had getroffen die wél een lekker leven achter de rug had. Anders had ik me misschien schuldig gevoeld. Aan de andere kant, het industrievlees verschilt eigenlijk niet echt van het vlees dat ik bij de supermarkt haal. Maar vooruit.
Sindsdien vraag ik mij af waarom wij eigenlijk niet ook hond eten. Er zijn zoveel smakelijke rassen. Labrador voor de stoof, golden retriever voor een biefstukje, een gezellig chowchowworstje voor op de barbecue. En hoeveel honden zitten er wel niet in het asiel? Misschien moeten we de vleesconsumptie gewoon slimmer organiseren, zoals we dat ook bij onze varkens doen. Daarvan slachten we ongeveer 45.000 per dag. En funfact: van kippen 1,5 miljoen per dag. Het zou zoveel efficiënter zijn als we ook gewoon hond eten.
Mocht je mij willen kielhalen: ik heb geen hond gegeten. Die stoofpot heb ik verzonnen. Verder hoefde ik alleen ‘varken’ te vervangen door ‘hond’. In Nederlandse varkensstallen worden biggen vroeg bij hun moeder weggehaald, kunnen ze geen stap zetten in hun hokken en worden staarten gecoupeerd. Veruit de meeste varkens komen nooit buiten. En als twee kinderboerderijvarkens met naam, die een fan-tas-tisch leven hebben gehad, naar de slacht gaan, komt ineens het land in opstand.
Varkens zijn minstens zo slim als veel honden. Ze leren, onthouden en herkennen anderen. Op sommige vlakken zijn ze zelfs slimmer. Ze hebben alleen geen naam, en liggen niet bij ons op de bank.
Ik eet meestal geen vlees, maar heel soms doe ik dat wel. Dus dit schrijf ik net zo goed voor mezelf. Ik kan geen hond op mijn bord verdragen, terwijl ik over een varken soms dacht: ‘ach, voor deze ene keer.’ Die logica begint steeds gekker te smaken.
Het is vandaag ‘Eet Geen Dierendag’, maar wat mij betreft ook daarna.
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))