Door: Marije Knevel
‘Jullie moeten echt baby’s maken samen.’ Even weet ik uit puur ongemak niet wat ik moet uitbrengen. Jelle en ik staan in ons portiekje. Tegenover ons staat onze buurvrouw met haar Schotse terriër. ‘Het is zo toevallig dat ik jullie nu tegenkom. Vanochtend heb ik er nog over na zitten denken. Jullie zijn allebei zo knap. Die genen moeten worden doorgegeven. Moet je je eens voorstellen hoe mooi jullie kind zou zijn.’
Laat ik vooropstellen dat wij dol zijn op onze buuf. Deze opmerking komt uit een goed hart. Ze staat dichtbij ons. Juist daarom komt hij binnen. Ze is niet de enige baarmoederbemoeial. Ik krijg zo vaak de vraag wanneer ik aan kinderen begin. Of een vrijblijvend doch dwingend advies: ‘Moet je doen joh, het is zo leuk.’ Alsof ik nog twijfel over een plant die ik leven moet houden.
Op zulke momenten wil ik iets zeggen waardoor mensen zich eeuwig schuldig voelen. Zodat ze het nooit meer in hun hoofd halen dit tegen een vrouw te zeggen. Maar daarmee doe ik vrouwen die moeite hebben met zwanger raken tekort. Mijn eerlijke antwoord is een stuk minder geschikt om iemand mee op zijn nummer te zetten.
Ik weet het niet.
Al die jaren ben ik zo opgezogen geweest in mijn werk. Hup, carrière maken. Een kind paste daar niet bij. Hoe moest ik dat managen? En mijn dromen en ambities dan? Die zijn nog steeds niet uitgekomen. Inmiddels word ik bij leven en welzijn volgend jaar veertig. Mijn werk heeft nooit gezegd: ‘Nu ben je klaar, ga maar een baby proberen te maken.’ Dat is gewoon doorgedenderd, iedereen is vervangbaar, en ik sta met lege armen.
Soms vraag ik me af of ik zo ver van mijn gevoel verwijderd ben geraakt dat ik mijn eigen kinderwens niet herken. Vroeger dacht ik dat ik uiterlijk op mijn 26ste getrouwd zou zijn en met een beetje geluk op mijn 27ste moeder. Maar dat toekomstbeeld kwam vooral voort uit het christelijke bolwerk waarin ik opgroeide. Eerst trouwen, dan kinderen. Of ik er zelf echt naar verlangde, had ik nooit uitgezocht.
Toen ontmoette ik mijn geweldige man, die niets liever zou willen dan een baby met mij. Ik liet de jaren voorbijgaan, terwijl ik mijn kop in het zand stak. Want dat is wat ik doe zodra het gaat over voelen. Inmiddels hebben al mijn vriendinnen kinderen. Eentje heeft bewust geen kinderen. Zelfs op dat woord ben ik jaloers. Bewust. Zij heeft gekozen.
Ik heb vooral gewacht.
Ondertussen dacht ik te voelen dat het moederschap niet voor mij was weggelegd. Dan hadden mijn eierstokken toch wel een keer moeten rammelen als ik dat wilde? Het bleef stil, en ik maakte van die stilte een antwoord.
Bijna had ik rust gevonden in het idee dat mijn lijf de keuze uiteindelijk voor mij zou maken. Dan hoefde ik mij er alleen maar bij neer te leggen. Zelfs dat had ik dus uitbesteed.
Tot mijn buurvrouw in ons portiekje begon over een prachtig kind van Jel en mij.
Nog steeds weet ik niet of ik later spijt krijg. Of ik op mijn sterfbed verlang naar een kind naast me, of tevreden ben met het leven dat ik heb gehad. Maar de berusting die ik dacht te voelen, is met de noorderzon vertrokken.
Deze column lees ik voor aan Jelle en ik begin onbedaarlijk te huilen. Ik tik nu met tranen over mijn wangen. Ik weet nog steeds niet of ik mijn kop in het zand steek of eindelijk naar mezelf luister. Maar ik ben blij dat ik eindelijk woorden heb voor iets waar ik al jaren stil over ben.
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))