Door: Chantal Janzen
Ik geef mezelf een dikke negen als natuurmens. Maar ehm, die negen kan vrij snel een drie worden hoor. Zet me op een camping in de regen, met modder, muggen, een gedeelde wc en het gevoel dat er elk moment een beest in mijn tent kan lopen, en ik denk: ja jongens, ik wil de natuur in, maar dít is niet de bedoeling.
Toch hou ik echt van buiten. Ik woon heerlijk in Amsterdam, maar heb een tuin, en ik denk dat ik het stadsleven vooral zo lekker vind omdat ik geregeld de natuur in kan. Dat had ik als kind al. Zelfs mijn balletjuf wist vroeger al dat buiten zijn bij mij werkte. Toen ik als puber eens totaal in een crisis over mijn uiterlijk en lichaam was, zei ze:‘Was die make-up van je gezicht en ga met je moeder in het park wandelen.’ Ik zei nog puberaal, half huilend, half kwaad, tegen haar: ‘Maar we hebben in Tegelen helemaal geen park!’ Maar haar punt was duidelijk: naar buiten met dat hoofd. Laat de lucht erin. En dat doe ik nog steeds. Het helpt me écht. Ik ben echt een wandelaar en loop bijna dagelijks een rondje door het Vondelpark – als ik lucht nodig heb, iemand langer moet bellen maar ook als ik het even zwaar heb. En ja, voor de conditie ook natuurlijk. De liefde voor buiten deel ik met Marco. Die kan eindeloos opgaan in de natuur. Aan zee kan hij uren op een stoel zitten en naar het water kijken. Echt úren. Dan kijk ik naar hem en denk: is het een wassen beeld? Zijn de batterijen op? Hij houdt nog meer van de natuur dan ik. Hij draagt ook vrijwel alleen groen en bruin, dus eigenlijk had ik het
kunnen weten. Mijn kinderen hebben dat ook wel, maar gaan minder snel. Die moet ik soms echt naar buiten slepen. En eerlijk: zo’n idyllisch familie-uitje in de natuur ontspoort ook vrij makkelijk. Je vraagt honderd keer: ‘Moet je echt niet plassen? Want voorlopig komt er geen wc ofzo.’ ‘Neehee mama, écht niet,’ zegt-ie dan geïrriteerd. En ja hoor, natuurlijk moet er na tien minuten in een uitgestrekt veld iemand poepen. De achtjarige wel te verstaan. Midden in de natuur, met één oud klein opgedroogd make-updoekje uit mijn zak. En nét als-ie daar met zijn broek in zijn handen gehurkt zit, vliegt er een hele dikke tor bij hem voorbij. Hij schreeuwt: ‘MAMAAAA, WAAR IS DIE TOR NU NAARTOE?!’ en rent weg terwijl de broek nog uit is en het hele ontlastingsproces nog niet ‘familie in de natuur’-reclames. Ik wil dus graag in de natuur zijn, maar ik hoef niet onder alle omstandigheden één te worden met de elementen.
En ik heb iets raars: wind vind ik dus verschrikkelijk. Als we vroeger op een winderig strand lagen, zat ik met een badlaken strak over mijn hoofd en als mijn moeder eronder keek, riep ik:‘Mama, doe de deur dicht!’ Wat dat betreft helpt het ook niet dat je tegenwoordig geen touw meer aan het weer kunt vastknopen. Vroeger dacht je nog: Italië in augustus, zonnig, geen regen, lekker warm. Maar we zaten daar best al wat zomers ineens in de stortregen en noodweer. Toch zijn er plekken waar de natuur me iedere keer weer omver kan blazen. Het Limburgse landschap voelt nog steeds als thuiskomen. Val d’Orcia in Italië, met die glooiende heuvels, vind ik waanzinnig. En Big Sur in Californië vergeet ik ook nooit meer. Ik zat daar ooit gewoon te kakken, op het toilet, niet ín de natuur, en ik keek uit het raampje en zag ineens een hertje heel dichtbij door het groen lopen. Zelfs op de wc krijg je daar dus een natuurdocumentaire cadeau. Misschien is dat wel precies mijn soort natuur. Niet per se er middenin liggen, overgeleverd aan wind, regen en beesten. Gewoon dichtbij genoeg om ernaar te kunnen kijken, het te ruiken en te denken: wat prachtig is het toch. Desnoods tijdens het kakken. Wel kijkend door een venster dan. Niet er middenin, terwijl je denkt: waar is die tor nu naartoe?
Deze editorial staat in &C's nieuwste editie ‘Meer bos, minder blabla, die vanaf vandaag in de winkels ligt.
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))