Malou Holshuijsen
Column: Tinder en de liefde van mijn leven
Malou Holshuijsen
Column: Met een Duitser en ik fakete
Malou Holshuijsen
Column: Een kater, een kokosnoot en Duitse dreadlocks
Malou Holshuijsen
Column: Uitzonderlijke hoogte en downsyndroom
Malou Holshuijsen
Koffie en groepsseks
Malou Holshuijsen
KAK, vergeten! (Kotoran terlupa)
Malou Holshuijsen
De fietsfascist
Malou Holshuijsen
Column: Echte Azië-kenners
Malou Holshuijsen
Column: Het zware leven van mijn klotebuurman
Malou Holshuijsen
Buurman, wat doet u nu? (Deel 2)
Malou Holshuijsen
Mijn oma en de trut
Malou Holshuijsen
Op lijmvakantie
Malou Holshuijsen
Buurman, wat doet u nu? (Deel 1)
Malou Holshuijsen
Column: Monopoly en verwarmd fruit
Malou Holshuijsen
Column: Monopoly en verwarmd fruit
Malou Holshuijsen
Koester de kater
Malou Holshuijsen
Nu weet ik wie Lasse Schöne is
Malou Holshuijsen
Katers en vagijnen
Malou Holshuijsen
Dokter Tupperware
Malou Holshuijsen
Verliefd zijn gun je niemand
Anna Karolina
Deel 5: In de aanbieding
Meer bekijken
  1. Moods
  2. Malou Holshuijsen
  3. Column: Viva valium
Malou Holshuijsen

Column: Viva valium

Malou schrijft over de schoonheid van het leven met alle vieze randjes die daarbij horen. Niet zoals het staat afgebeeld op haar Instagram account: zoet en onbesmet, maar met alle gebreken en mislukkingen. Leve het ongemak, weg met de schaamte.

08-2-2018 09:00

Na vier weken Indonesië ben ik onderweg naar huis. De luchthaven van Dubai is mijn laatste tussenstop. Ik zit aan de bar, met voor mijn neus een flesje bier en een bakje ondefinieerbare borrelnootjes. Ik bedenk me dat er altijd types zijn die je vertellen dat je nooit pinda’s uit een ‘openbaar’ bakje moet eten. Dit omdat mensen hun handen niet wassen nadat ze naar het toilet zijn geweest en vervolgens met diezelfde handen in het bakje graaien.  

Die mensen wil ik altijd diskwalificeren en in hun gezicht laten niezen door een verkouden kleuter.   Het is 05.08 uur, maar dat maakt op deze plek helemaal niks uit. Op luchthavens geldt geen tijd, behalve die van je vlucht.  Je mag er altijd drinken. Naast me bestelt iemand een jus d’orange met een croissantje.  

Ik heb nog twee uur de tijd om voor me uit te staren en aan mijn biertje te nippen voordat ik mezelf trakteer op (oftewel drogeer met) wat - onder de toonbank aangeschafte - Indonesische valium.  

Die tijd, die ‘me-time’, heb ik ook even nodig om al het moois wat ik de afgelopen tijd heb mogen zien en voelen een plekje te geven, voordat ik straks mijn appartement in Bos en Lommer binnenstap en weer meedoe aan de realiteit. Als ik iets heb geleerd van mijn maandje over tropische eilanden hoppen, is het dat ik in mijn handen mag knijpen van geluk en dat ik me daar meer naar moet gedragen.  

Met andere woorden, ik mag van mezelf niet meer zeiken en klagen.   

Mijn apathische solostaarsessie wordt abrupt onderbroken als de barman ongevraagd een nieuw flesje bier naast dat van mij zet. Hij wijst naar een man een paar krukken verder die, wanneer ik hem aankijk, zijn flesje bier omhooghoudt en knikt. Ik doe hetzelfde, wat voor hem een teken is zich een paar krukken in mijn richting te verplaatsen.   

‘Je bent Nederlands, hè?’ Hij wijst naar een boek dat naast me op de bar ligt en mijn identiteit verraadt.
‘Ja, ik wacht op de vlucht naar Amsterdam,’ antwoord ik.  

Hij ook.  

In eerste instantie vind ik het leuk dat deze - charmant ogende - man naast me komt zitten. Maar al snel kom ik erachter dat de moeilijkheidsgraad van deze chronische zeikerd te vergelijken valt met de vijfsterrencryptogrammen die mijn opa maakt. (Ik herinner me dat ik er ooit eentje heb opgelost. Een kantoorartikel in de ontkenningsfase? Een nietmachine. Ik ben er nog steeds trots op.)  

De man, die mij zojuist op een biertje trakteerde, vindt alles kut.  Zijn werk op de Zuidas, zijn huwelijk, zijn te klein gekochte koophuis in Amsterdam. Zijn vrouw wilde er per se nog één, dat werd een tweeling. Net eentje te veel voor het luxe appartement in Amsterdam-Zuid. ‘Ik weet niet of ik jou iets hoef uit te leggen over de huizenmarkt in Amsterdam?’ vraagt hij.  

‘Vast kut, ’ antwoord ik.  

Dan wendt hij zich tot het bakje nootjes op de bar en vertelt, boven de in urine gemarineerde pinda’s. Deze man verdient een jankende, vermoeide en snotterende kleuter naast hem in het vliegtuig.  

De jankende, vermoeide en snotterende kleuter zit niet naast de man in het vliegtuig, maar naast mij. Maar ik heb niets te klagen. Dat heb ik anderhalf uur geleden met mezelf afgesproken en afgetopt met het beste idee van de terugreis.  

Viva valium.

Lees hier meer columns van Malou Holshuijsen. 

Meer lezen